Dga moet zakelijkheid lening aannemelijk maken

maandag 7 januari 2019 Michel Halters 1 reactie 1235x gelezen

In beginsel moet de inspecteur aannemelijk maken dat de dga met het verstrekken van de lening of nadien een debiteurenrisico heeft gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben gelopen. De bewijslast hiervoor komt echter bij de dga te liggen als hij de vereiste aangifte niet heeft gedaan.

Een dga en zijn echtgenote hadden de aandelen in een holding. Deze holding had twee werkmaatschappijen. Een van de werkmaatschappijen had een schuld aan de directie (de dga en zijn echtgenote). De dga had geen aangifte inkomstenbelasting ingediend. Daarom legde de inspecteur een ambtshalve aanslag op. Vervolgens diende de dga alsnog een aangifte in, die de inspecteur als bezwaarschrift in behandeling nam. In deze aangifte waardeerde de dga de lening aan de werkmaatschappij af.

 

Geen bewijs

In geschil bij Rechtbank Den Haag is deze afwaardering. De rechtbank overweegt dat normaliter de inspecteur de onzakelijkheid van een lening moet aantonen. Hij moet dan aantonen dat de dga bij het verstrekken van de lening een debiteurenrisico heeft gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben gelopen. Omdat de dga niet de vereiste aangifte heeft gedaan, moet de dga doen blijken dat de lening zakelijk is. De dga kan volgens de rechtbank hiervoor geen bewijs leveren. De dga heeft enkel gesteld dat de lening is voortgevloeid uit afspraken die in het verleden zijn gemaakt, maar daarvan is geen enkel bewijs geleverd. Er is geen leningsovereenkomst, er zijn geen zekerheden, er zijn geen aflossingen geweest en de rente werd telkens bijgeschreven. Daardoor is de lening onzakelijk en kan de dga geen afwaardering toepassen.

 

Geen rente

In de aangifte had de dga ook een rentevordering opgenomen als tbs-resultaat. De rechtbank oordeelt echter dat de dga de rente niet had hoeven aan te geven. De rechtbank verwijst voor haar standpunt naar het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BW6552 en verminderde de aanslag met de aangegeven rente.

 

Wet: art. 3.92 Wet IB 2001

Meer informatie: Rechtbank Den Haag 5 februari 2018 (gepubliceerd op 4 januari 2019), ECLI:NL:RBDHA:2018:13869

U moet eerst inloggen voordat u een reactie kunt plaatsen. Gebruik de knop rechtsboven om in te loggen.


Reacties

Reacties

Mr. P.C. Faasse RB 07/01/2019 14:46

De uitspraak van de Rechtbank Den Haag was onbegrijpelijk en daarom is hoger beroep aangetekend. Deze zitting heeft op 21-11-2018 plaatsgevonden en op 13-12-2018 is de beslissing van het Gerechtshof schriftelijk kenbaar gemaakt.

Door het Hof is in aanmerking genomen dat de (on)zakelijkheid van de leningverstrekking moet worden beoordeeld naar het moment van haar ontstaan, zie onder meer Hoge Raad 16-11-2018, zaaknummers 18/00051 en 18/00053.

Het Gerechtshof heeft belanghebbende dan ook in het gelijk gesteld. Tussen belanghebbende en de Belastingdienst is een compromis bereikt over de redelijke tegemoetkoming (vanwege toepassing foutenleer). Door een fout gemaakt door de boekhouder van belanghebbende is de r/c voor een onjuist stand in aanmerking genomen en deze is op grond van de foutenleer gecorrigeerd. Bij enkele jaren was de TBS-vrijstelling nog niet van toepassing zodat hieraan tegemoet gekomen diende te worden.

Aanmelden nieuwsbrief

Schrijf u nu in voor de gratis nieuwsbrief van Taxence en ontvang dagelijks het laatste nieuws en informatie over andere relevante producten van Sdu Licent Academy.

Invoer verplicht
Invoer verplicht
Invoer verplicht
Invoer verplicht

 

 

















 

Contact

Taxence is een uitgave van Sdu Licent Academy

 

Maanweg 174

2516 AB Den Haag

 

Contactformulier

Taxence fiscaal nieuws voor professionals is een uitgave van Licent Academy.
© 2019 www.taxence.nl - alle rechten voorbehouden.