Het hof oordeelt dat de inspecteur bij de CRS-gegevens projectmatig en voldoende voortvarend heeft gehandeld. De verlengde navorderingstermijn is daarom terecht toegepast en ook de vergrijpboeten wegens (voorwaardelijk) opzet blijven in stand.
Een man houdt jarenlang vijf bankrekeningen aan bij een Duitse Sparkasse. In zijn aangiften ib/pvv 2008 t/m 2011 en 2013 t/m 2019 vermeldt hij deze tegoeden niet of slechts voor een fractie. Via de Common Reporting Standard (CRS) ontvangt de inspecteur in oktober 2017 gegevens over de saldi per 31 december 2016. Pas in februari 2020 volgt een vragenbrief. De inspecteur legt vervolgens navorderingsaanslagen ib/pvv op over 2008 t/m 2011 en 2013 t/m 2018 en een aanslag 2019, met vergrijpboeten van 75%. In geschil is of voor 2008 t/m 2015 aan de voortvarendheidseis bij de verlengde navorderingstermijn is voldaan en of de boeten terecht zijn.
Projectmatige aanpak voldoende voortvarend
Hof Amsterdam oordeelt dat de inspecteur de CRS-gegevens in redelijkheid projectmatig en landelijk gecoördineerd mocht aanpakken. De eerste CRS-tranche omvatte gegevens uit tientallen landen en kende technische en inhoudelijke gebreken. Volgens het hof rechtvaardigen de omvang van de datastroom, de noodzakelijke kwaliteitscontrole en de pilots binnen het project CRS-NP dat tussen ontvangst van de eerste gegevens (najaar 2017) en het starten van individuele onderzoeken (begin 2020) tijd verstrijkt. Uit de overgelegde projectstukken blijkt dat in die periode geen onverklaarbare stilstand van meer dan zes maanden heeft plaatsgevonden. Daarmee is voldaan aan de voortvarendheidseis van artikel 16, lid 4, AWR en blijven de navorderingsaanslagen 2008 t/m 2011 en 2013 t/m 2015 in stand .
Ook de hoogte van de navorderingsaanslag 2008 houdt stand. Het hof acht aannemelijk dat de man in 2008 via de nalatenschap van zijn vader gerechtigd was tot ten minste € 141.000 aan vermogen. Dat oudere bankafschriften niet meer beschikbaar zijn, komt voor zijn rekening.
Het hof acht voor de jaren 2009‑2011 en 2013‑2018 (voorwaardelijk) opzet bewezen, omdat de man bewust buitenlandse tegoeden verzweeg en bedragen verlaagde, waardoor 75%‑boeten passend zijn gezien de omvang van het verzwegene.
Wet :art. 16 AWR
Bron: Gerechtshof Amsterdam, 03-02-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:428, 24/3473 tot en met 24/3479 | NDFR





Geef een reactie