• Skip to primary navigation
  • Skip to main content
  • Skip to primary sidebar
  • Skip to footer
  • Nieuwsbrief
  • Contact

Taxence

Taxence

  • Nieuws & achtergrond
    • Nieuws
    • Branchenieuws
    • Blogs
    • Verdieping
  • Thema’s
    • AI & Tax Technology
    • Arbeid & Loon
    • Belastingplan
    • BTW & Overdrachtsbelasting
    • BV & DGA
    • Duurzaamheid (ESG & CSRD)
    • Estate planning
    • Alle thema’s
  • Opleidingen
    • AI & Tax Tech
    • ESG & CSRD
    • Estate Planning
    • BTW
    • Vastgoed
    • Internationaal
    • Arbeid & Loon
    • Formeel
    • Familiebedrijven
    • VPB
    • Pensioen
  • Carrière
    • Personalia
    • Vacatures
    • Vacature toevoegen
    • Partners
  • Vakinformatie
    • NDFR
    • Addify
    • JES! Knowledge
    • Fiscaal en meer
    • Tax talks
    • Vakblad Estate Planning
    • Specials
  • Kennisbank

Blog | Dubbele bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement niet mogelijk?

8 januari 2024 door Arthur Kan

turboliquidatie

Het aantal faillissementen neemt de laatste tijd weer toe. Dat de Belastingdienst sinds september corona-belastingschulden actief aan het invorderen is, zal daar ongetwijfeld aan bijdragen. Na een faillietverklaring heeft de curator de wettelijke taak om te onderzoeken of sprake is van onregelmatigheden die het faillissement (mede) hebben veroorzaakt. Niet zelden leidt dat tot bestuurdersaansprakelijkheid voor het tekort van de failliete boedel en een hierop volgende schikking met de curator. De praktijk leert echter dat de kous daarmee niet altijd af is voor de bestuurder aldus Arthur Kan.

Als een bestuurder van een failliete vennootschap door zowel de curator als de ontvanger van de Belastingdienst bestuurdersaansprakelijk kan worden gesteld, beoogt artikel 36.1 van de Leidraad Invordering dat slechts één aansprakelijkheid wordt toegepast. Op 14 april 2023 heeft de Hoge Raad in dat verband een belangwekkende uitspraak gedaan.[1]

Geen dagvaarding

Van belang is allereerst dat de Hoge Raad in voornoemde uitspraak heeft beslist dat voor aansprakelijkstelling door de curator geen dagvaarding is vereist. Aansprakelijkheid volgt immers uit de wet. Ook een schikking met de curator kan er derhalve toe leiden dat de ontvanger niet langer het recht heeft om de bestuurder wegens onbehoorlijk bestuur aansprakelijk te stellen.

Minder eenduidig is de uitspraak echter als het gaat over het optreden van de ontvanger in faillissement. In essentie overweegt de Hoge Raad hierover dat de ontvanger bij een faillissement gehouden kan zijn om tijdig met de curator af te stemmen wie tot aansprakelijkstelling overgaat. Laat de ontvanger dit na en ondervindt de bestuurder daardoor nadeel, dan kan zijn aansprakelijkstelling in strijd zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

In de zaak die aan het oordeel van de Hoge Raad ten grondslag ligt, heeft de bestuurder met de curator een schikking getroffen om zijn bestuurdersaansprakelijkheid af te kopen. De ontvanger was hiermee bekend, aangezien hij de grootste schuldeiser in het faillissement was. Desalniettemin oordeelde de Hoge Raad dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de ontvanger door een latere aansprakelijkstelling ex artikel 36 Invorderingswet in strijd heeft gehandeld met bovengenoemde bepaling in de Leidraad Invordering.

De Hoge Raad overweegt in dat kader dat het hof niet duidelijk heeft gemaakt op basis van welke aanknopingspunten de ontvanger redelijkerwijs een aansprakelijkstelling in overweging had kunnen nemen. Ook was volgens de Hoge Raad onbegrijpelijk waarom de ontvanger volgens het hof in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door het zonder overleg met de curator aansprakelijk stellen van de bestuurder.

De uitspraak van de Hoge Raad maakt niet zonder meer duidelijk(er) hoe de ontvanger bij een faillissement met belastingschulden dient op treden om zijn recht op bestuurdersaansprakelijkheid niet te verspelen. In het bijzonder blijft ongewis wanneer de ontvanger in zo’n situatie niet met de curator behoeft af te stemmen wie tot aansprakelijkstelling overgaat. Evenmin is duidelijk hoeveel ruimte de ontvanger nog heeft om tot bestuurdersaansprakelijkheid over te gaan als hij heeft nagelaten met de curator af te stemmen en de bestuurder reeds met de curator een schikking heeft gesloten om verdere aansprakelijkheidsprocedures te voorkomen.

Vaste bestuurspraktijk

Wat ons betreft is die ruimte er overigens niet. In de ‘Instructie Invordering en Belastingdeurwaarders’ wordt expliciet ingegaan op de situatie van faillissement en aansprakelijk stellen[2] Deze instructie is geen beleidsregel, zoals de Leidraad Invordering, omdat het niet als zodanig is bedoeld. Toch is de ontvanger eraan gebonden, omdat het een vastlegging van een ‘vaste bestuurspraktijk’ betreft waaraan de ontvanger zich op grond van, met name, het gelijkheids-, vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel dient te houden. In de instructie is voorgeschreven dat de ontvanger vrij snel tot aansprakelijkstelling kan overgaan op grond van de fiscale aansprakelijkheidsbepalingen, zodat het voor hem ‘dan ook belangrijk is te weten of de curator de bestuurder zal aanspreken op wanbeleid.’ Ook hieruit volgt dat de ontvanger ten spoedigste in overleg dient te treden met de curator ter zake van aanknopingspunten om aansprakelijkstelling te overwegen. Doet de ontvanger dit niet, dan schendt hij derhalve de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.  

Tegen die achtergrond kan men zich afvragen, juist ook in het licht van de strekking van de Leidraad Invordering dat bij faillissement slechts één bestuursaansprakelijkheid wordt toegepast, waarom de Hoge Raad voornoemde zaak niet zelf heeft afgedaan en heeft terugverwezen. Dat de ontvanger kennelijk niet tevreden was met de schikking die de curator had gesloten, betekent immers niet dat de ontvanger de bestuurder wederom aansprakelijk zou moeten kunnen stellen voor de belastingschulden van de onderliggende vennootschap. Bovendien had de ontvanger bij de rechter-commissaris bezwaar kunnen maken tegen de (voorgenomen) schikking, hetgeen hij niet heeft gedaan.   

Kortom, het is afwachten hoe de feitenrechters de uitgangspunten van de Hoge Raad in de praktijk zullen interpreteren en toepassen. De ontvanger zal zich wellicht gesteund voelen in zijn opvatting dat de Leidraad Invordering een tweede bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement niet uitsluit.

Tot slot verdient opmerking dat het verwijzingshof in deze zaak geen verdere richting heeft gegeven aan de uitspraak van de Hoge Raad, omdat het recht op dwanginvordering ten tijde van het doen van uitspraak door het hof inmiddels was verjaard. Anders dan de ontvanger meende, besliste het hof op 28 november 2023 namelijk dat uitstel van betaling voor de aansprakelijkstellingsbeschikking niet de verjaring van de onderliggende aanslagen opschort.[3] Voor die aanslagen kan immers aan de aansprakelijk gestelde geen uitstel worden verleend nu zulks diens aansprakelijkstelling zou verhinderen omdat de belastingschuldige dan niet meer in gebreke zou zijn. Een aansprakelijkstelling is accessoir aan de belastingschuld en aldus niet voor zelfstandige verjaring vatbaar, zodat de ontvanger, althans in die gevallen dat de belastingschuldige heeft opgehouden te bestaan,[4] ondubbelzinnig de onderliggende belastingaanslagen tijdig en op de voorgeschreven wijze bij de aansprakelijkgestelde moet stuiten om het recht op dwanginvordering te behouden. Dat had de ontvanger in deze zaak volgens het hof wel gedaan, maar niet tijdig.

Hoewel de belanghebbende in deze zaak dus na lang procederen met de schrik is vrijgekomen, zal nieuwe jurisprudentie moeten uitwijzen in hoeverre de Leidraad Invordering aan een dubbele bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement in de weg staat.

  • [1] HR 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:563.
  • [2] Zie hoofdstuk 56.14.4 van de instructie.
  • [3] Hof Amsterdam 28 november 2023, 23/323 en 23/324, ECLI:NL:GHA:2023:2936
  • [4] Artikel 27, lid 2 IW90

Arthur Kan is werkzaam als fiscaal advocaat bij KanPiek fiscale advocatuur

Filed Under: Blogs, Nieuws

Reageer
Vorige artikel
Voor een heretikettering is meer nodig dan alleen een nieuw beleidsbesluit
Volgende artikel
EFRAG publiceert drie Draft-Implementation Guidance documenten ter consultatie

Reader Interactions

Gerelateerde berichten

Opinie | Circulair investeren in vastgoed

Circulariteit is een groot thema met vele invalshoeken. In deze Opinie verkent prof. dr. Tom Berkhout de huidige stand van zaken voor vastgoed in de winstsfeer. Vanuit fiscaal perspectief lijken met name drie thema’s relevant: de bepaling van de economische gebruiksduur en restwaarde van gebouwen en bouwcomponenten, de kwalificatie van eigendoms- en gebruiksstructuren in circulaire... lees verder

Opinie | ViDA – de fiscaal-digitale politiestaat komt eraan

Nederland, opgepast! ViDA komt eraan. Onlangs stuurde de staatssecretaris van Financiën het Nader Rapport inzake het voorstel van wet (Wet implementatie Richtlijn Btw in het digitale tijdperk – Enkele btw-registratie) naar de Koning. Het betreft de implementatie van de ViDA-richtlijn. Wie denkt dat ViDA alleen betrekking heeft op VAT (oftewel omzetbelasting), heeft het goed mis... lees verder

Opinie | Van toeslagenaffaire naar informatieschandaal

Hoewel de meeste fiscalisten de kinderopvangtoeslagaffaire als een drama zullen beschouwen, vermoedt mr. dr. Tirza Cramwinckel ik dat maar weinig fiscalisten de ontwikkelingen inhoudelijk op de voet volgen omdat toeslagen geen belastingwetgeving betreffen. Toch stuitte zij recent op een ontluisterende publicatie, die ook onder fiscalisten aandacht verdient. Het betreft de op 3 maart 2026 gepubliceerde... lees verder

Opinie | Stop btw-subsidie op alcoholica

Prof. mr. Redmar Wolf vraagt in deze NTFR Opinie aandacht voor fiscaal ‘klein bier’; in dit geval de btw-behandeling van alcoholica als onderdeel van een samengestelde prestatie. Onder de huidige Nederlandse regelgeving kan het voorkomen dat op een alcoholische versnapering per saldo het lage tarief wordt toegepast. Een biertje met btw-subsidie, derhalve. Een situatie die... lees verder

Opinie | Geen ambtshalve toepassing van het Rentearrest

Artikel 1 onderdeel b Besluit belasting- en invorderingsrente bepaalde in 2022 en 2023 dat het belastingrentetarief voor de vennootschapsbelasting 8% bedraagt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 16 januari 2026 (het Rentearrest) geoordeeld dat voor die ‘selectieve renteverhoging’ redelijke rechtvaardigingsgronden ontbreken en dat die bepaling in strijd is met het evenredigheids- en het gelijkheidsbeginsel.... lees verder

Geef een reactie Reactie annuleren

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Primary Sidebar

AGENDA

Masterclass De positie van de samenwoner in de inkomstenbelasting, relatievermogensrecht en vermogensplanning – Civiel en fiscaal

Nationaal Btw Congres 2026

Online cursus introductie participatieregelingen en lucratieve belangen

Online cursus Internationale aspecten van Nederlandse belastingwetgeving

Online cursus Auto van de zaak

Online cursus Staken van de onderneming: (turbo)liquidatie, WHOA liquidatie akkoord

Stoomcursus Erfrecht – Civiel en fiscaal – Het hele erfrecht in één dag! 

Stoomcursus AI voor Fiscale professionals

Specialisatieopleiding Estate Planning

Basiscursus Estate planning

Meer opleidingen

Footer

  • Fiscaal nieuws
  • Opleidingen
  • Kennisbank
  • Vacatures
  • Over ons
  • Adverteren op Taxence
  • NDFR
  • JES! (ESG producten)
  • Fiscaal en meer
  • Tax Talks
  • Register Estate Planners (REP)
  • Contact
  • Linkedin
  • X
  • Facebook
  • Aanmelden nieuwsbrief
  • Naar Lefebvre Sdu Webshop

Taxence is een uitgave van
Lefebvre Sdu
Maanweg 174
2516 AB Den Haag

Powered by Lefebvre Sdu

  • Disclaimer
  • Privacy Statement en Cookiebeleid
lefebvre SDU

Het laatste nieuws van
Taxence in je mail?

×