Hof Den Haag oordeelt dat een fiscale eenheid wist of had moeten weten dat haar Britse afnemers btw-fraude pleegden. Het nultarief op intracommunautaire leveringen van metaalschroot wordt terecht geweigerd, ondanks dat aan de formele voorwaarden is voldaan.
Een fiscale eenheid voor de omzetbelasting, bestaande uit onder meer een handels-bv actief in de groothandel in (edel)metaalschroot, verricht in 2017 intracommunautaire leveringen aan drie Britse afnemers. De inspecteur legt over dat jaar een naheffingsaanslag omzetbelasting op van ruim € 2,5 miljoen, omdat volgens hem het nultarief ten onrechte is toegepast. Aanleiding vormt een FIOD-onderzoek naar btw-carrouselfraude in de metaalhandel. Uit dat onderzoek volgt dat de Britse afnemers hun btw-verplichtingen niet of nauwelijks nakomen. De inspecteur stelt dat de bv wist of had moeten weten dat zij deel uitmaakte van frauduleuze handelsketens. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. In hoger beroep is in geschil of daadwerkelijk sprake is van btw-fraude in de handelsketens en of de bv daarvan wetenschap had of had moeten hebben.
Fraude in de handelsketens aannemelijk
Het hof sluit zich aan bij het oordeel van Rechtbank Den Haag dat in de handelsketens btw-fraude is gepleegd. De Britse afnemers fungeren als buffers of missing traders. Eén afnemer verwerkt fictieve inkoopfacturen om per saldo geen btw te betalen, een tweede draagt nauwelijks btw af over omvangrijke doorleveringen en een derde dient zelfs geen btw-aangiften in. Volgens het hof is voor deze handelswijze geen andere verklaring dan het ontgaan van btw in het Verenigd Koninkrijk. Dat aan de formele en materiële voorwaarden voor het nultarief is voldaan, staat niet in de weg aan weigering daarvan wanneer objectief vaststaat dat sprake is van fraude in de keten. De inspecteur heeft dit met stukken van onder meer HMRC voldoende aannemelijk gemaakt.
Bv had wetenschap of had moeten weten
Het hof acht ook bewezen dat de bv wist of had moeten weten dat zij betrokken was bij btw-fraude. De bv is een professionele handelaar in risicogoederen en haar medewerkers zijn eerder expliciet gewaarschuwd voor btw-fraude in de metaalhandel. Toch verricht de bv nauwelijks KYC-onderzoek naar haar Britse afnemers. Verder valt op dat btw-nummers van afnemers steeds worden ingetrokken, goederen op andere adressen dan vestigingsadressen worden afgeleverd en betalingen via tussenvennootschappen vrijwel één op één worden doorgestort. Uit WhatsApp-berichten blijkt bovendien dat de bv instructies gaf over facturatie verderop in de keten. Gelet op dit samenstel van omstandigheden concludeert het hof dat de inspecteur het nultarief terecht heeft geweigerd en bevestigt het de naheffingsaanslag over 2017.
Wet: Tabel II, post a.6 Wet OB 1968
Bron: Gerechtshof Den Haag, 17-12-2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2837, BK-25/285 | NDFR





Geef een reactie