Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat bij een middellijk lucratief belang is voldaan aan de doorstootregeling, ook als Nederland geen box 2-heffingsrecht heeft. De inspecteur mag de voordelen dan niet belasten in box 1.
Een man treedt in 2015 als CFO in dienst bij een Nederlandse bv en woont tot en met 2018 in Nederland. Hij participeert via een aandelenplan in een buitenlandse holding. Die holding houdt aandelen in een buitenlandse vennootschap, die voor de man kwalificeren als een middellijk gehouden lucratief belang. In 2016 ontvangt hij dividend en in 2018 verkoopt hij de onderliggende aandelen met een aanzienlijke winst. Voor beide jaren kiest hij voor partiële buitenlandse belastingplicht en voor toepassing van de doorstootregeling. De inspecteur legt voor 2016 een navorderingsaanslag op en corrigeert de aanslag 2018 door de voordelen uit het lucratief belang als resultaat uit overige werkzaamheden in box 1 te belasten. Partijen twisten vooral over de vraag of is voldaan aan de voorwaarde dat ‘inkomen uit aanmerkelijk belang wordt genoten’.
Inkomen uit aanmerkelijk belang wél genoten
Het hof stelt vast dat de man een aanmerkelijk belang houdt in de buitenlandse holding. Dat Nederland door de partiële buitenlandse belastingplicht geen box 2-heffing kan toepassen, betekent volgens het hof niet dat geen inkomen uit aanmerkelijk belang wordt genoten. Doorslaggevend is of sprake is van reguliere of vervreemdingsvoordelen in de zin van de Wet IB 2001. De man ontvangt in 2016 dividend en behaalt in 2018 een vervreemdingsvoordeel bij verkoop van de aandelen. Daarmee is voldaan aan het criterium ‘inkomen uit aanmerkelijk belang wordt genoten’. Dat de voordelen feitelijk buiten de Nederlandse heffing blijven, doet daaraan niet af.
Wetgever accepteert heffingsvacuüm
Volgens het hof volgt uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever bewust heeft aanvaard dat de combinatie van partiële buitenlandse belastingplicht en de doorstootregeling kan leiden tot een heffingsvacuüm. De doorstootregeling is ook bedoeld voor situaties waarin het heffingsrecht over box 2-inkomen niet bij Nederland ligt. Het hof wijkt daarmee uitdrukkelijk af van een recente uitspraak van hof Amsterdam. De navorderingsaanslag 2016 wordt vernietigd en de aanslag 2018 blijft verminderd. Andere geschilpunten, zoals het bestaan van een nieuw feit en het vertrouwensbeginsel, hoeven niet meer te worden behandeld.
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 17-12-2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:3625, 24/251 en 24/252 | NDFR





Geef een reactie