De Hoge Raad oordeelt dat een overboeking van collegegeld aan een universiteit niet automatisch geldt als betaling voor scholingsuitgaven. Het hof had beter moeten motiveren of al sprake was van een (toekomstige) betalingsverplichting. De zaak wordt daarom verwezen.
Een man met de Indiase nationaliteit is per 19 augustus 2015 als inwoner in Nederland ingeschreven. De Immigratie- en Naturalisatiedienst heeft hem een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd toegekend om een opleiding te volgen aan de Technische Universiteit Delft. Voor aanvang van de aanvraagprocedure diende de man vóór 1 juli 2015 een bedrag over te maken aan de universiteit. Op 25 juni 2015 heeft de man een bedrag van € 23.760 bestaande uit collegegeld van € 13.560 en ‘Living allowance’ van € 10.200 overgemaakt naar de bankrekening van de universiteit. De universiteit heeft op 11 september 2015 het bedrag van de living allowance, na aftrek van de kosten van de visumaanvraag, overgemaakt naar de Nederlandse bankrekening van de man. De man heeft in zijn aangifte ib/pvv 2015 een bedrag van € 13.310 als persoonsgebonden aftrek (scholingsuitgaven) in aanmerking genomen. In geschil is of de scholingsuitgaven zijn betaald gedurende de periode dat de man binnenlands belastingplichtig is.
Hof: overboeking is waarborgsom
Hof ‘s-Hertogenbosch oordeelt dat eerst op het moment van de definitieve inschrijving het collegegeld aan de universiteit verschuldigd is. Het hof ziet de betaling van de man op 25 juni 2015 aan de universiteit daarom als een waarborgsom ter verkrijging van het verblijfsvisum. Die waarborgsom is aan te merken als depotstorting die het vermogen van de man niet heeft verlaten en waarover hij vrijelijk kan beschikken. Het hof acht aannemelijk dat de voldoening van het collegegeld heeft plaatsgevonden door verrekening op of omstreeks 11 september 2015. Niet in geschil is dat de man toen in Nederland binnenlands belastingplichtig is. Dit brengt mee dat hij voor het bedrag van het betaalde collegegeld recht heeft op een aftrek van scholingsuitgaven, aldus het hof.
Hoge Raad verwijst terug
De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet kenbaar heeft onderzocht of de overboeking van 25 juni 2015 een betaling is op grond van een toekomstige betalingsverplichting. Voor het aannemen van zo’n betaling is vereist dat op het moment waarop het geldbedrag wordt overgemaakt een rechtsverhouding tussen partijen bestaat waaruit in de toekomst een betalingsverplichting ter zake van het collegegeld voortvloeit. Ook moet de overmaking naar de bedoeling van partijen ertoe strekken om van tevoren aan die verplichting te voldoen. Een overboeking van geld die niet als betaling is aan te merken, kan zich alleen voordoen als geld wordt overgemaakt zonder dat daaraan een bestaande of toekomstige betalingsverplichting ten grondslag ligt. De Hoge Raad vernietigt de hofuitspraak en verwijst de zaak naar Hof Arnhem-Leeuwarden voor nader onderzoek.
Bron: Hoge Raad, 06-02-2026, ECLI:NL:HR:2026:84, 24/03064 | NDFR





Geef een reactie