Het hof oordeelt dat een rente van 9% op een familielening niet zakelijk is en stelt deze vast op 4,5%. Daarnaast bepaalt het hof de waarde van de woning bij onttrekking in goede justitie op € 350.000 en blijft de vernietiging van de vergrijpboete in stand.
Een man werkt als belastingadviseur en participeert met zijn ouders en zussen in een maatschap met een pluimveebedrijf. In 2015 koopt hij de ouderlijke woning van zijn ouders voor € 315.000, gefinancierd met een lening van zijn ouders tegen 9% rente zonder aflossingsverplichting. De woning wordt tot het ondernemingsvermogen gerekend. Na verbouwing en latere inbreng van de onderneming in een bv wordt de woning eind 2017 naar privé overgebracht, waarbij de man een fors boekverlies claimt. De inspecteur corrigeert onder meer de rente en de woningwaarde en legt een aanslag IB/PVV 2017 en een vergrijpboete op. In geschil is de zakelijkheid van de rente, het boekresultaat bij onttrekking en de boete.
Rente familielening niet zakelijk
Het hof oordeelt dat de man niet aannemelijk maakt dat een rente van 9% zakelijk is. Hij onderbouwt zijn stelling onvoldoende en toont niet aan dat vergelijkbare financiering tegen zulke voorwaarden gebruikelijk is. Daarbij weegt het hof mee dat de ouders feitelijk zekerheden hebben via afspraken in de maatschap en de familieband, waardoor hun risico beperkt is. Dat maakt de situatie niet vergelijkbaar met een onafhankelijke derde zonder zekerheden. Het hof acht daarom een rente van 4,5% wel zakelijk en volgt hiermee de rechtbank en de inspecteur.
Woningwaarde en geen boete
Voor de bepaling van het boekresultaat stelt het hof de waarde van de woning per eind 2017 in goede justitie vast op € 350.000, omdat geen van beide partijen hun waardering overtuigend onderbouwt. Bij de beginwaarde houdt het hof rekening met waardedruk doordat de ouders in de woning blijven wonen. De rechtbank heeft vervolgens het boekverlies terecht berekend op € 32.017. De vergrijpboete blijft vernietigd, omdat de inspecteur niet bewijst dat de man (voorwaardelijk) opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan. Zowel het hoger beroep van de man als het incidenteel hoger beroep van de inspecteur faalt.
Wet: art. 3.8 en art. 3.65 Wet IB 2001
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 28-01-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:182, 24/121 | NDFR
GenIA-L jurisprundentieonderzoek
Vind en analyseer relevante rechtspraak in minuten. Een uitspraak van vandaag is vanaf morgen te vinden in GenIA-L!





Geef een reactie