Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat de in een schoudertas aangetroffen schaduwboekhouding rechtmatig is verkregen. Dit rechtvaardigt omkering en verzwaring van de bewijslast en een redelijke schatting van de omzet over heel 2018.
Een man exploiteert vier winkels als eenmanszaak, waar hij souvenirartikelen, wietzaden, headshopartikelen en voedingswaren verkoopt. Hij geeft voor 2018 een belastbaar inkomen uit werk en woning aan van € 103.277. De Belastingdienst en de Douane houden een onaangekondigde waarneming ter plaatse en treffen daarbij in een zwarte schoudertas een handgeschreven schaduwboekhouding aan over september 2018 tot en met februari 2019. Uit een boekenonderzoek blijkt dat de man 53,2% van zijn omzet niet heeft verantwoord. De inspecteur legt een aanslag IB/PVV 2018 op naar een belastbaar inkomen van € 680.774. Rechtbank Noord-Holland vermindert de aanslag tot € 190.923 omdat de schaduwboekhouding onrechtmatig zou zijn verkregen. De inspecteur stelt hoger beroep in.
Douane mocht schoudertas onderzoeken
Het hof verwerpt het oordeel van de rechtbank dat de schaduwboekhouding onrechtmatig is verkregen. De Douane verricht de waarneming vanwege het vermoeden van accijnsgoederen (blunts) en is daartoe bevoegd op grond van artikel 83 Wet op de accijns. Ook het vragen aan de bedrijfsleider om de tas leeg te maken, valt binnen de bevoegdheden van de inspecteur op grond van artikel 47 AWR: de bedrijfsleider had verklaard bevoegd te zijn namens de ondernemer te spreken en de inspecteur kon in redelijkheid vermoeden dat de tas administratieve gegevensdragers bevatte. Van onrechtmatig verkregen bewijs is geen sprake.
Extrapolatie naar heel 2018 is redelijk
Het hof oordeelt dat de bewijslast terecht wordt omgekeerd en verzwaard. Uit de schaduwboekhouding blijkt dat de man in september tot en met december 2018 per winkel tussen de 22,4% en 65,8% van de bruto-omzet niet heeft verantwoord. Samen met het stelselmatig buiten werking stellen van kassacontrole maakt dit aannemelijk dat hij zich bewust was van het structureel afromen van omzet. De extrapolatie naar de overige maanden van 2018 is redelijk: de bedrijfsleider heeft verklaard dat de werkwijze in 2016 en 2019 gelijk was, en het toeristische hoogseizoen in de zomer maakt een lagere omzet in de eerste acht maanden juist onwaarschijnlijk. Het hoger beroep is gegrond en het beroep van de man wordt ongegrond verklaard.
Wet: art. 83 Wet op de accijns; art. 47, art. 52 en art. 27e AWR
Bron: Gerechtshof Amsterdam, 27-11-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3746, 25/340 | NDFR





Geef een reactie