De Hoge Raad oordeelt dat een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ook voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan.
Een man heeft een aanslag ib/pvv opgelegd gekregen voor het jaar 2015. De inspecteur ontvangt het bezwaarschrift op 22 november 2019 en doet op 4 juni 2021 uitspraak op bezwaar. Rechtbank Noord-Holland doet vervolgens op 11 juli 2022 uitspraak. De man stelt op 24 augustus 2022 hoger beroep in, waarna Gerechtshof Amsterdam op 21 december 2023 uitspraak doet. De man verzoekt voor het eerst in hoger beroep om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Het hof wijst dit verzoek af, omdat de man dit verzoek niet uiterlijk op de zitting bij de rechtbank heeft gedaan.
Verzoek kan ook voor het eerst in hoger beroep
De Hoge Raad oordeelt dat het hof heeft miskend dat uit zijn eigen arrest van 19 februari 2016 volgt dat een verzoek om immateriële schadevergoeding ook voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan. De uitspraak van het hof kan daarom niet in stand blijven.
Redelijke termijn overschreden in eerste aanleg
De Hoge Raad stelt vast dat in eerste aanleg de redelijke termijn van twee jaar met meer dan zes maanden maar minder dan twaalf maanden is overschreden. Dit is geen overschrijding van beperkte duur, zodat compensatie met de fase van hoger beroep niet aan de orde is. Ook de totale duur van de berechting in hoger beroep en de daaraan voorafgaande fase tezamen overschrijdt de redelijke termijnen. Het kortere verloop van de hogerberoepsfase maakt dat niet anders. De man heeft recht op een immateriële schadevergoeding van €1.000.
Wet: art. 8:73 Awb
Bron: Hoge Raad, 05-06-2026, ECLI:NL:HR:2026:829, 24/00611 | NDFR





Geef een reactie