Gerechtshof Den Haag oordeelt dat het negeren van uitworpredenen op zichzelf geen ambtelijk verzuim oplevert. Omdat de inspecteur aannemelijk maakt dat de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de aangifte juist was, is navordering toegestaan.
Een vrouw was in 2018 woonachtig in Nederland en werkzaam als pilote (gezagvoerder) bij een Maltese werkgever. In haar aangifte IB/PVV 2018 claimde zij een vrijstelling ter voorkoming van dubbele belasting voor haar buitenlandse inkomsten van € 90.851. De aangifte genereerde meerdere uitworpredenen, maar werd zonder nader onderzoek conform de aangifte afgedaan. Naar aanleiding van een onderzoek over het jaar 2019 concludeerde de inspecteur dat het heffingsrecht over haar vliegtuiginkomsten op grond van het belastingverdrag met Malta aan Nederland toekwam. De inspecteur legde daarop alsnog een navorderingsaanslag IB/PVV 2018 op. Het geschil betreft de vraag of sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.
Uitworpredenen negeren is geen ambtelijk verzuim
Het hof stelt voorop dat het negeren van uitworpredenen op zichzelf niet kwalificeert als een ambtelijk verzuim. Bepalend is of de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de aangifte juist was. De inspecteur voert aan dat de aangifte juist was geweest als de vrouw haar werkzaamheden in Malta had verricht, tot het grondpersoneel had behoord of als statutair bestuurder werkzaam was geweest. Ook wijst de inspecteur erop dat het niet ongebruikelijk is dat werknemers bij een buitenlandse dienstbetrekking in Nederland blijven wonen. Het hof acht dit voldoende aannemelijk: de inspecteur was niet tot nader onderzoek gehouden, van een ambtelijk verzuim is geen sprake en de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 blijft in stand.
Wet: art. 16 AWR
Bron: Gerechtshof Den Haag, 09-04-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:1583, BK-25/580 | NDFR





Geef een reactie