Een vrouw stuurt een bezwaarschrift per e-mail naar de inspecteur, maar Gerechtshof Den Haag oordeelt dat de inspecteur daaruit niet hoefde op te maken dat bezwaar werd ingediend en dus geen doorzendplicht had.
Aan een vrouw wordt over het tijdvak 2012 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd. Omdat zij deze niet tijdig betaalt, brengt de ontvanger bij beschikking van 21 november 2022 € 122 aan invorderingsrente in rekening. Op 31 december 2022 stuurt de vrouw een e-mail aan een inspecteur met als begeleidende tekst slechts “ter uwer (datum) registratie en Uw eventuele interesse”, met als bijlage een bezwaarschrift gericht aan de ontvanger. Het bezwaarschrift bereikt de ontvanger pas op 14 juni 2023, ruim na het verstrijken van de bezwaartermijn van 2 januari 2023.
Geen doorzendplicht
Het hof oordeelt dat de summiere tekst van de e-mail de inspecteur geen aanleiding gaf om aan te nemen dat daarmee bezwaar werd ingediend. Bovendien was het bijgevoegde bezwaarschrift gericht aan de ontvanger – het bevoegde bestuursorgaan – zodat de inspecteur ervan mocht uitgaan dat het bezwaar ook daar was ingediend. Van een doorzendplicht op grond van art. 6:15 Awb is dan ook geen sprake. Het beroep op verschoonbare termijnoverschrijding slaagt evenmin. De vrouw wist op 31 december 2022 al dat er mogelijk iets mis was gegaan met de verzending, maar ondernam onvoldoende actie. De termijnoverschrijding blijft voor haar rekening. Het hof bevestigt de uitspraak van Rechtbank Den Haag.
Bron: Gerechtshof Den Haag, 23-04-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:1587, BK-24/963 | NDFR





Geef een reactie