Met dit besluit wijzigt de staatssecretaris van Financiën het Besluit Ondernemingsfaciliteiten. De wijziging herstelt een onbedoelde beperking die was ontstaan bij de actualisatie van het besluit per 17 oktober 2024 en verruimt de toepassing van twee vrijstellingen in de overdrachtsbelasting.
De wijzigingen hebben betrekking op onderdeel 3.9 (inbrengvrijstelling) en onderdeel 4.1 (bedrijfsfusievrijstelling) van het Besluit Ondernemingsfaciliteiten. Bij de actualisatie van 2024 was de eerdere eis van overdracht en voortzetting van een onderneming binnen concern vervangen door een aanhoudingseis voor de aandelen in de verkrijgende vennootschap. Daarnaast was als voorwaarde opgenomen dat uitsluitend de vennootschap die de onderneming door de vervreemding had verkregen, de onderneming moest voortzetten.
Volgens de toelichting heeft deze wijziging onbedoeld tot gevolg gehad dat een onderneming na de vervreemding niet langer kon worden doorgeschoven naar een andere vennootschap binnen hetzelfde concern zonder verlies van de goedkeuring. Daarmee werd de reikwijdte van de goedkeuring in bepaalde gevallen beperkt.
Met dit besluit wordt deze beperking ongedaan gemaakt. De voortzettingseis wordt verruimd, zodat de onderneming gedurende de resterende voortzettingsperiode niet alleen mag worden voortgezet door de verkrijgende vennootschap, maar ook door een andere vennootschap die gedurende die periode behoort tot hetzelfde concern als bedoeld in artikel 5b, tweede en negende lid, Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer (UBBR).
Daarnaast wordt in de goedkeuringstekst verduidelijkt dat voor toepassing van de goedkeuring vereist blijft dat ten minste het onroerend goed achterblijft bij de vennootschap die de onderneming bij de omzetting respectievelijk fusie heeft verkregen. De formulering “onroerende zaken of andere vermogensbestanddelen” wordt daarom vervangen door “vermogensbestanddelen, waaronder ten minste de onroerende zaken”.
Het besluit treedt in werking met ingang van 10 juni 2026.
Bron: Besluit van 28 mei 2026, nr. 2026-10287, Stcrt. 2026, 19673.





Geef een reactie