De verhoging per 1 januari 2020 van het bijtellingspercentage voor elektrische auto’s van 4% naar 8% vormt geen onaanvaardbare inbreuk op artikel 1 Eerste Protocol EVRM. Dit geldt ook voor belastingplichtigen die vóór de aankondiging al onomkeerbare financiële verplichtingen waren aangegaan.
Een werknemer heeft in 2020 een elektrische Hyundai Kona van zijn werkgever ter beschikking gesteld gekregen. De werkgever had de auto op 2 april 2019 definitief besteld. De datum van eerste toelating is 20 mei 2020. De catalogusprijs bedraagt € 40.910. De werkgever past bij de inhouding van loonheffingen een bijtelling van 8% toe. In zijn aangifte ib/pvv voor 2020 claimt de werknemer een negatieve correctie op het loon, gebaseerd op het in 2019 geldende bijtellingspercentage van 4%. De inspecteur wijkt af van de aangifte en legt een aanslag op met een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.298. In geschil is of de bijtellingsverhoging per 1 januari 2020 een onaanvaardbare inbreuk vormt op art. 1 EP.
Rechtbank oordeelt ten onrechte in voordeel werknemer
Rechtbank Noord-Nederland heeft het beroep van de werknemer gegrond verklaard en geoordeeld dat de bijtellingsverhoging op stelselniveau in strijd is met artikel 1 EP. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de wetgever met geen woord heeft gerept over de groep belastingplichtigen die vóór de aankondiging op 28 juni 2019 al onomkeerbare verplichtingen was aangegaan. Hof Arnhem-Leeuwarden verwerpt dit oordeel. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt namelijk dat de gevolgen voor deze specifieke groep wél onderwerp van debat zijn geweest. De staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat heeft in het debat van 3 juli 2019 expliciet erkend dat het om een relatief kleine groep van circa 10.000 mensen gaat, voor wie de maatregel per maand een verschil van een paar tientjes zou maken. De overweging van de rechtbank mist daarmee feitelijke grondslag.
Wetgever blijft binnen ruime beoordelingsmarge
Het hof stelt voorop dat niet elke wijziging van belastingwetgeving een door artikel 1 EP verboden inbreuk vormt. Burgers kunnen in het algemeen niet erop vertrouwen dat belastingwetgeving ongewijzigd blijft. Er bestaat geen grond om in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken, temeer niet gezien de politieke aandacht voor de bijtellingsregeling en het bestaande overgangsrecht dat aansluit bij de datum eerste toelating van de auto. De wetgever heeft bewust gekozen de maatregel niet een halfjaar later te laten ingaan, omdat dit niet uitvoerbaar bleek voor de Belastingdienst. Met die afweging is de wetgever niet buiten zijn ruime beoordelingsmarge getreden. Van een individuele en buitensporige last is evenmin sprake: de werknemer heeft ter zitting bevestigd dat de extra heffing over ten hoogste € 76 hem niet buitensporig belast. Het hoger beroep van de inspecteur is gegrond.
Wet: art. 13bis Wet LB 1964 en art. 1 EP EVRM
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-03-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1661, 25/2055 | NDFR




Geef een reactie