Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat voor de ouderenkorting in beginsel het wereldinkomen in de Nederlandse periode en het Nederlandse inkomen in de buitenlandse periode meetelt. Toch moet de inspecteur uitgaan van het verzamelinkomen dat op de aanslag staat.
Een man woont van 1 januari 2021 tot 1 april 2021 in Nederland en daarna in Frankrijk. In de Nederlandse periode is hij verzekerd voor de volksverzekeringen. In de Franse periode is hij geen kwalificerend buitenlands belastingplichtige. In 2021 ontvangt hij in totaal € 66.981 aan pensioen en AOW. Daarvan ziet € 16.745 op de Nederlandse periode en € 50.236 op de buitenlandse periode. De inspecteur legt een aanslag ib/pvv 2021 op naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.745 en vermeldt op de aanslag ook een verzamelinkomen van € 16.745. Daarbij verleent hij geen ouderenkorting. In geschil is of de man recht heeft op ouderenkorting en zo ja, tot welk bedrag.
Buitenlands inkomen telt mee
Het hof oordeelt dat voor de hoogte van de ouderenkorting in dit geval niet alleen het inkomen uit de Nederlandse periode telt. Voor het verzamelinkomen moet worden uitgegaan van het wereldinkomen in de binnenlandse periode en het Nederlandse inkomen volgens hoofdstuk 7 Wet IB 2001 in de buitenlandse periode. Het pensioen en de AOW kwalificeren in de buitenlandse periode als belastbaar inkomen uit werk en woning in Nederland. Dat het belastingverdrag het heffingsrecht over dat inkomen aan Frankrijk toewijst, verandert dat niet. In beginsel moet daarom worden uitgegaan van een verzamelinkomen van € 66.981.
Aanslagbiljet blijft leidend
Toch krijgt de man gelijk. Op het aanslagbiljet staat namelijk een verzamelinkomen van € 16.745 en de inspecteur heeft dat inkomensgegeven niet ambtshalve gewijzigd. Volgens het hof is het verzamelinkomen op de aanslag een voor bezwaar vatbare beschikking en vormt het ook het authentieke inkomensgegeven voor de Basisregistratie Inkomen. Omdat de hoogte van de ouderenkorting direct aan het verzamelinkomen is gekoppeld, moet de inspecteur een volgens hem onjuist verzamelinkomen herstellen. Doet hij dat niet, dan komen de gevolgen voor zijn rekening. Het hof gaat daarom uit van € 16.745. De ouderenkorting bedraagt € 427. Het hoger beroep van de inspecteur is ongegrond.
Wet: art. 2.18, art. 7.2, art. 7.8 en art. 8.17 Wet IB 2001
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 15-04-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1028, 24/1704 | NDFR





Geef een reactie