Nu eiser geen concrete beroepsgronden heeft ingediend, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de door de heffingsambtenaar vastgestelde waardes. Het beroep is kennelijk ongegrond. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Meer informatie: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2350&pk_campaign=rss&pk_medium=rss&pk_keyword=uitspraken




Geef een reactie