Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat economische eigendom van vastgoed meetelt voor de heffing bij aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon. De samenloopvrijstelling is niet van toepassing omdat geen sprake is van een btw-belaste levering of dienst.
Twee vennootschappen sluiten een samenwerkingsovereenkomst voor de ontwikkeling en verkoop van een vastgoedproject. Zij delen de kosten en opbrengsten ieder voor 50%. Een bv verkrijgt vervolgens alle aandelen in een van de samenwerkingspartners. Die vennootschap heeft een economisch belang in de betrokken percelen en houdt zich bezig met het onderzoeken, ontwikkelen en realiseren van het project. De koper doet aangifte overdrachtsbelasting en beroept zich op de samenloopvrijstelling. De inspecteur weigert die vrijstelling en legt een naheffingsaanslag van € 1,53 miljoen op. In geschil is onder meer of sprake is van een onroerendezaakrechtspersoon, hoe de maatstaf van heffing moet worden bepaald en of de samenloopvrijstelling geldt.
Economische eigendom telt mee
De rechtbank oordeelt dat de vennootschap een onroerendezaakrechtspersoon is. Haar activiteiten zijn hoofdzakelijk gericht op het ontwikkelen en realiseren van het vastgoedproject en vrijwel haar gehele vermogen hangt samen met de samenwerkingsovereenkomst. Economische eigendom telt daarbij op grond van de Wet BRV mee. Ook voor de maatstaf van heffing moet worden aangesloten bij de waarde van de economische eigendom van de percelen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever economische eigendom juist binnen de heffing heeft willen brengen. Een uitsluitend grammaticale uitleg van art. 10 Wet BRV, die tot een heffingsgrondslag van nihil zou leiden, volgt de rechtbank daarom niet.
Geen btw-belaste levering
Ook het beroep op de samenloopvrijstelling faalt. Bij de beoordeling moet worden gekeken naar de daadwerkelijke vermogenspositie van de onroerendezaakrechtspersoon, die alleen de economische eigendom van de percelen houdt. De bv maakt niet aannemelijk dat deze vennootschap de macht heeft om als eigenaar over de percelen te beschikken. Zo ontbreekt een onherroepelijke volmacht om de percelen te vervreemden of te bezwaren. Evenmin is sprake van een btw-belaste dienst die vergelijkbaar is met verhuur. Daarom is geen btw-belaste levering of dienst aanwezig en geldt de samenloopvrijstelling niet. De naheffingsaanslag blijft in stand.
Wet: art. 4; art. 10 en art. 15 lid 1 onderdeel a Wet BRV en art. 11 lid 1 onderdeel a onder 1° en onderdeel b Wet OB 1968
Bron: Rechtbank Noord-Holland, 16-06-2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:12395, HAA 24/7655 | NDFR





Geef een reactie