Een fiscale eenheid kan zich niet beroepen op vertrouwen in haar adviseur als zij niet aannemelijk maakt dat zij de benodigde verkoopfacturen tijdig heeft verstrekt. Hof Arnhem-Leeuwarden vindt bewezen dat zij voorwaardelijk opzettelijk te weinig btw heeft betaald.
Een fiscale eenheid handelt in chemische grondstoffen. De bestuurder stelt zelf de verkoopfacturen op en een intermediair verzorgt de btw-aangiften. In januari tot en met april 2014 maakt de bestuurder zes facturen met in totaal € 22.498 btw, terwijl over die maanden nihilaangiften worden ingediend. De inspecteur legt een naheffingsaanslag en een vergrijpboete op. Na verwijzing door de Hoge Raad moet Hof Arnhem-Leeuwarden beoordelen of de facturen tijdig aan de intermediair zijn verstrekt en of sprake is van (voorwaardelijk) opzet.
Voorwaardelijk opzet bewezen
De fiscale eenheid maakt niet aannemelijk dat de zes facturen tijdig aan de intermediair zijn gestuurd. Bewijs daarvan ontbreekt en een latere e-mail van de intermediair wijst er juist op dat de omzet pas in september 2014 via de bankontvangsten is geboekt. De bestuurder mocht daarom niet vertrouwen op de juistheid van de aangiften. Omdat hij de facturen zelf opstelde en daarop btw vermeldde, moet hij volgens het hof hebben geweten dat door de nihilaangiften te weinig btw werd betaald. Dit handelen wordt toegerekend aan de fiscale eenheid. Het hof acht een boete van 50% passend. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn wordt de boete verminderd tot € 5.225.
Wet: art. 67f AWR
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22-09-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:6174, 26/112 | NDFR





Geef een reactie