De Hoge Raad oordeelt dat een hof een gemachtigde mag vragen om een recente machtiging. Als die ondanks een herstelmogelijkheid niet wordt verstrekt, mag het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
Een gemachtigde stelt namens een man hoger beroep in tegen een uitspraak over de WOZ-beschikking en gemeentelijke belastingen voor 2022. Bij het hogerberoepschrift van 9 januari 2024 voegt zij een volmacht van 7 februari 2022. Hof Den Haag vraagt de gemachtigde vervolgens tweemaal om uiterlijk tijdens de zitting een recente machtiging te verstrekken die niet ouder is dan zes maanden vóór het indienen van het hoger beroep. Ook vraagt het hof om een kopie van een geldig identiteitsbewijs. Daarbij waarschuwt het hof dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als de stukken niet worden verstrekt. De gemachtigde verstrekt de gevraagde stukken niet. Het hof verklaart het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk.
Hof mag recente machtiging vragen
De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn bevoegdheid niet overschrijdt door een nieuwe machtiging op te vragen. Het hof mocht vaststellen dat door het ontbreken daarvan sprake was van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 Awb. Omdat de gemachtigde de gelegenheid heeft gekregen dit verzuim te herstellen en daarvan geen gebruik heeft gemaakt, mocht het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Geen tweede herstelmogelijkheid nodig
De Hoge Raad benadrukt dat het hof na het ongebruikt laten van de geboden herstelmogelijkheid niet verplicht is nogmaals gelegenheid te geven het verzuim te herstellen. De niet-ontvankelijkverklaring blijft daarom in stand en het cassatieberoep is ongegrond.
Wet: art. 6:6 en art. 8:24 Awb
Bron: Hoge Raad, 16-10-2026, ECLI:NL:HR:2026:1579, 25/01950 | NDFR





Geef een reactie