De Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU over de toepassing van de Rijnvarendenovereenkomst. Centraal staat de vraag welke socialezekerheidswetgeving geldt voor een Rijnvarende die aan boord van hetzelfde schip ook andere werkzaamheden verricht voor een tweede werkgever.
Werkzaamheden voor twee werkgevers
Een man woont in 2015 in Nederland en werkt als schipper voor een in Luxemburg gevestigde werkgever. Hij verricht zijn werkzaamheden aan boord van een schip dat in de Rijnvaart wordt gebruikt. De eigenaar van het schip is gevestigd in Nederland, maar volgens de Rijnvaartverklaring wordt het schip geëxploiteerd door de Luxemburgse werkgever.
Van 1 januari tot en met 31 mei 2015 werkt de man daarnaast voor een Bulgaarse werkgever. Voor deze werkgever benadert hij andere schippers voor de opslag van goederen. Hij verricht deze werkzaamheden aan boord van hetzelfde schip, maar niet als varend personeel. De werkzaamheden houden geen verband met de Rijnvaart.
In geschil is of de man over deze periode premieplichtig is voor de Nederlandse volksverzekeringen.
Toepassing Rijnvarendenovereenkomst
Hof ‘s-Hertogenbosch oordeelt dat de Rijnvarendenovereenkomst van toepassing is. Volgens het hof is de personele werkingssfeer van deze overeenkomst niet beperkt tot bepaalde werkzaamheden. Ook de werkzaamheden voor de Bulgaarse werkgever vallen daarom onder de overeenkomst. Op grond van de Rijnvarendenovereenkomst is uitsluitend de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving van toepassing. Nederland mag daarom over de betreffende periode geen premies volksverzekeringen heffen.
De staatssecretaris gaat in cassatie. Volgens hem bevat de Rijnvarendenovereenkomst geen regeling voor situaties waarin een Rijnvarende daarnaast andere werkzaamheden verricht. Daarom moeten volgens hem de algemene aanwijsregels van Verordening (EG) nr. 883/2004 worden toegepast. Die leiden volgens de inspecteur tot Nederlandse verzekeringsplicht.
Prejudiciële vragen
De Hoge Raad constateert dat de Rijnvarendenovereenkomst niet uitdrukkelijk regelt welke wetgeving van toepassing is wanneer iemand naast zijn werkzaamheden als Rijnvarende ook andere werkzaamheden aan boord van hetzelfde schip verricht.
De Hoge Raad neigt naar de uitleg dat de aanwijsregels van de Rijnvarendenovereenkomst ook voor die andere werkzaamheden gelden. Dit sluit aan bij het doel van de overeenkomst om personen die op hetzelfde schip werken onder dezelfde socialezekerheidswetgeving te laten vallen. Bovendien wordt daarmee voorkomen dat tijdelijke andere werkzaamheden tot een wijziging van de toepasselijke wetgeving leiden. De Hoge Raad acht deze uitleg echter niet zeker.
Daarom stelt de Hoge Raad prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. Eerst vraagt hij of het Hof van Justitie bevoegd is de Rijnvarendenovereenkomst uit te leggen. Die bevoegdheid staat niet vast, omdat de overeenkomst wel haar grondslag vindt in een EU-verordening, maar is gesloten tussen lidstaten. Als het Hof van Justitie bevoegd is, wil de Hoge Raad weten of de Rijnvarendenovereenkomst in deze situatie de toepasselijke socialezekerheidswetgeving aanwijst en, zo ja, welke wetgeving dat is.
De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan totdat het Hof van Justitie de vragen heeft beantwoord.





Geef een reactie