Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat een beroep op dwaling over de gevolgen van een faillissement voor de BOR is voorgewend. De civielrechtelijke vernietiging van de schenking geeft daarom geen recht op vermindering van de schenkbelasting.
Ouders schenken in 2014 certificaten van aandelen in hun bv aan hun drie kinderen. Voor de schenking wordt de BOR toegepast. De waarde van de aandelen wordt in overleg met de inspecteur vastgesteld op € 1,5 miljoen. Binnen de toen geldende voortzettingstermijn raakt de onderneming echter in financiële problemen en volgt in 2017 een faillissement. Daardoor vervalt de voorwaardelijke BOR-vrijstelling. Kort voor het faillissement vernietigen de familieleden de schenking buitengerechtelijk wegens wederzijdse dwaling en leveren de kinderen de certificaten terug. Een dochter verzoekt vervolgens op grond van artikel 53 SW om vermindering van haar aanslag en navorderingsaanslag schenkbelasting tot nihil. De inspecteur weigert dat.
Dwaling over BOR niet aannemelijk
Hof ’s-Hertogenbosch stelt vast dat de schenking civielrechtelijk daadwerkelijk is vernietigd. Dat betekent echter niet automatisch dat ook de schenkbelasting moet worden verminderd. Daarvoor mag de grond voor de vernietiging niet slechts zijn voorgewend. De dochter stelt dat de familie niet wist dat een faillissement binnen de voortzettingstermijn tot verlies van de BOR kon leiden. Volgens het hof is echter niet aannemelijk dat bij de schenking een faillissement aanstaande of een reëel risico was. Ook blijkt uit de verklaring van de adviseur niet dat destijds een onjuist advies is gegeven.
Geen vermindering op grond van artikel 53 SW
Het hof weegt mee dat de adviseur geen fiscalist was en dat de familie de complexe BOR-schenking niet aan een fiscalist of andere deskundige heeft voorgelegd. Ook ontbreekt een schriftelijke vastlegging waaruit de gestelde onjuiste voorstelling van zaken blijkt. Daarmee is onvoldoende aannemelijk dat daadwerkelijk sprake was van wederzijdse rechtsdwaling. De inspecteur maakt volgens het hof aannemelijk dat de dwaling is voorgewend. De vernietiging van de schenking kan daarom niet aan hem worden tegengeworpen. De dochter heeft geen recht op vermindering van de aanslag en navorderingsaanslag schenkbelasting.
Wet: art. 53 en art. 35b e.v. SW 1956
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 23-09-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:2592, 24/622 en 24/623 | NDFR





Geef een reactie