Artikel 3.92, lid 1, aanhef en letter a, en art. 3.94 Wet IB 2001. Het Hof oordeelt dat de geldverstrekking, anders dan de Inspecteur stelt, civielrechtelijk kan worden aangemerkt als lening, alsmede dat geen sprake is van een schijnlening of een bodemlozeputlening. De Inspecteur maakt wel aannemelijk dat sprake is van een onzakelijke lening onder het regime van de terbeschikkingstellingsregeli…
Meer informatie: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:350&pk_campaign=rss&pk_medium=rss&pk_keyword=uitspraken





Geef een reactie