A-G Ettema concludeert dat een fiscale eenheid omzetbelasting mogelijk is bij een als eenheid samenwerkende groep aandeelhouders, maar dat hiervoor wel bindende afspraken over de financiële zeggenschap nodig zijn.
Een bv is actief in vastgoedontwikkeling, aanneming en het ter beschikking stellen van personeel. Zij wil samen met twee gelieerde bv’s worden aangemerkt als fiscale eenheid voor de omzetbelasting over de jaren 2013 tot en met 2016. De aandelen zijn versnipperd: twee natuurlijke personen houden elk 40% rechtstreeks en via een tussenholding gezamenlijk indirect nog eens 20%. Formeel heeft dus niemand een meerderheid. Volgens de bv vormen de twee aandeelhouders samen een als eenheid samenwerkende groep, zodat toch sprake is van financiële verwevenheid. De inspecteur en later Rechtbank Gelderland en Hof Arnhem-Leeuwarden wijzen dit af: zonder aantoonbare bindende stemafspraken ontbreekt financiële verwevenheid. Ook beroepen op een winstdeling als vergoeding, het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel falen.
Samenwerkende groep kan meerderheidsbelang dragen
De A-G zet uitgebreid uiteen dat uit HR 19 december 1979 volgt dat het vereiste meerderheidsbelang voor financiële verwevenheid óók kan worden vastgesteld op het niveau van een als eenheid samenwerkende groep aandeelhouders. Dat is geen uitzondering op het meerderheidsvereiste, maar een manier om vast te stellen dat de meerderheid “in dezelfde handen” is, namelijk die van de groep. Cruciaal is wel dat de aandeelhouders afspraken hebben gemaakt om de financiële zeggenschap gezamenlijk uit te oefenen én dat zij daarnaar handelen. Het gaat vooral om de onderliggende rechtsbetrekkingen; alleen feitelijk meebewegen is onvoldoende.
Hoewel de A-G vindt dat het hof het arrest uit 1979 juridisch te beperkt heeft uitgelegd, kan dat de bv niet helpen. Het hof heeft namelijk feitelijk vastgesteld dat in de jaren 2013-2016 geen bindende stemafspraken bestonden. Verklaringen en een later opgestelde stemovereenkomst komen te laat en worden niet ondersteund door bewijs. Ook het beroep op vertrouwen en rechtszekerheid strandt. De A-G adviseert de Hoge Raad daarom het cassatieberoep ongegrond te verklaren.
Wet: art. 7(4) Wet OB
Bron: Parket bij de Hoge Raad, 12-12-2025, ECLI:NL:PHR:2025:1356, 24/02718 | NDFR





Geef een reactie