Rechtbank Gelderland oordeelt dat een verzoek om beëindiging van een fiscale eenheid niet met terugwerkende kracht kan plaatsvinden. De verliesbeschikking is daarom niet te laag vastgesteld.
Een bv is met ingang van 1 oktober 2020 een fiscale eenheid aangegaan met haar moedermaatschappij. Op 4 december 2020 is namens beide vennootschappen een verzoek ingediend voor deze fiscale eenheid, waaraan de inspecteur op 11 december 2020 tegemoet is gekomen. Op 17 augustus 2021 vraagt de bv per e-mail om de fiscale eenheid ongedaan te maken met ingang van 1 oktober 2020. De inspecteur wijst dit verzoek af. Bij de aanslagregeling vpb 2020 neemt de inspecteur een verliesbeschikking van € 174.530. Dit verlies heeft betrekking op de eerste negen maanden van 2020, omdat de bv vanaf 1 oktober 2020 deel uitmaakt van de fiscale eenheid. De bv stelt dat de verliesbeschikking te laag is vastgesteld, omdat het volledige jaarverlies had moeten worden meegenomen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de fiscale eenheid met terugwerkende kracht kan worden beëindigd per 1 oktober 2020.
Geen beëindiging met terugwerkende kracht
Rechtbank Gelderland oordeelt dat een fiscale eenheid niet met terugwerkende kracht kan worden beëindigd. Op grond van artikel 15, tiende lid, onderdeel h Wet Vpb kunnen belanghebbende en de moedermaatschappij gezamenlijk verzoeken om de fiscale eenheid te beëindigen. Het beëindigingstijdstip kan echter niet eerder liggen dan het moment waarop het verzoek wordt gedaan. Aangezien pas op 17 augustus 2021 voor het eerst is verzocht om beëindiging, is de inspecteur bij de vaststelling van de verliesbeschikking 2020 terecht ervan uitgegaan dat de bv vanaf 1 oktober 2020 deel uitmaakte van de fiscale eenheid. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever bewust heeft gekozen tegen verbreking met terugwerkende kracht, om te voorkomen dat maatschappijen hun beslissing kunnen baseren op reeds gerealiseerde resultaten.
De rechtbank verwerpt de stellingen van de bv dat zij op grond van eerdere jurisprudentie wel terug zou kunnen komen op de gemaakte keuze. De door de bv aangehaalde arresten van de Hoge Raad van 28 april 2006 en 1 december 2023 zien op andere situaties en andere wetsbepalingen. Ook de conclusies van advocaten-generaal en kennisgroepstandpunten waar de bv naar verwijst, leiden niet tot een ander oordeel. Deze hebben betrekking op andere faciliteiten of aspecten van de fiscale eenheid en niet op de verliesbeschikking die in deze zaak aan de orde is.
Wet: art. 15 Wet Vpb 1969
Bron: Rechtbank Gelderland, 10-12-2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:11078, AWB 24/4997 | NDFR





Geef een reactie