Een in België wonende man ontvangt een Nederlands pensioen van ruim € 29.000 per jaar. De Hoge Raad oordeelt dat voor de drempeltoets van € 25.000 in het belastingverdrag Nederland-België het volledige brutobedrag aan pensioen en lijfrente in aanmerking moet worden genomen.
Een man woont in de jaren 2014 tot en met 2017 in België en ontvangt uit Nederland een pensioen van ruim € 29.000 per jaar, opgebouwd vanwege een in Nederland vervulde dienstbetrekking. Daarnaast ontvangt hij lijfrente-uitkeringen van een in Nederland gevestigde verzekeringsmaatschappij. Over 57/280e deel van het pensioen heft België personenbelasting tegen het reguliere progressieve tarief. Het resterende deel — opgebouwd vóór 2004 — wordt in België belast als lijfrente, waarbij het belastbare bedrag wordt gesteld op 3% van het pensioenkapitaal per 1 januari 2004. De inspecteur heeft het volledige bedrag van het pensioen en de lijfrente in de Nederlandse inkomstenbelasting betrokken. In geschil is hoe het drempelbedrag van € 25.000 in artikel 18, paragraaf II, van het belastingverdrag Nederland-België moet worden uitgelegd.
Volledig brutobedrag bepalend voor drempeltoets
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft geoordeeld dat het heffingsrecht exclusief toekomt aan de woonstaat België. De Hoge Raad vernietigt die uitspraak. Voor de drempeltoets van €25.000 moet het volledige brutobedrag van de pensioen- en lijfrente-uitkeringen in aanmerking worden genomen, niet alleen het deel dat op grond van de eerste volzin van artikel 18, paragraaf II, in de bronstaat belastbaar zou zijn. De Hoge Raad vindt steun voor deze uitleg in de gezamenlijke artikelsgewijze toelichting bij het verdrag, waaruit blijkt dat de verdragsluitende partijen bij het drempelbedrag het oog hadden op het brutobedrag dat in feite wordt betaald. Omdat het totale brutobedrag ruim € 29.000 bedraagt, wordt de drempel overschreden en mag Nederland heffen.
Nederland heft alleen over niet-progressief belast deel
De Hoge Raad behandelt vervolgens het subsidiaire standpunt van de man. De heffingsbevoegdheid van Nederland is beperkt tot het deel van het pensioen dat in België niet progressief wordt belast. Voor zover het pensioen in België wél progressief wordt belast, is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 18, paragraaf II, en mag Nederland daarover niet heffen. De Hoge Raad vermindert de belastingaanslagen over 2014 tot en met 2017 dienovereenkomstig. Het belastbare inkomen uit werk en woning bedraagt € 23.739 in 2014 en € 24.702 in elk van de jaren 2015 tot en met 2017. Tot slot oordeelt de Hoge Raad dat geen belastingrente wordt vergoed over de teruggaaf van ingehouden loonbelasting, omdat die teruggaaf het gevolg is van verrekening als voorheffing op grond van art. 15 AWR en niet van een teruggaaf van loonbelasting als bedoeld in artikel 30ha AWR.
Wet: art. 18 Verdrag Nederland-België
Bron: Hoge Raad, 13-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:395, 23/01000 | NDFR






Geef een reactie