De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van overbeslag bij een conservatoir beslag. De rechtbank had nader onderzoek moeten doen naar de verhouding tussen de waarde van het beslag en de mogelijke ontnemingsvordering.
In het kader van strafrechtelijk onderzoek “Milwaukee” wordt de klaagster verdacht van het illegaal aanbieden van online kansspelen op de Nederlandse markt, witwassen en deelneming aan een criminele organisatie. Op 16 juni 2021 en 15 september 2021 legt het openbaar ministerie op grond van art. 94a Sv beslag op een groot aantal zaken in Zwitserland, België en Luxemburg, waaronder woningen, bouwgrond, voertuigen, effectenportefeuilles, bankrekeningen en een geldvordering. De klaagster dient een klaagschrift in en stelt dat sprake is van overbeslag van minimaal € 46,5 miljoen, omdat de waarde van het beslagen vermogen (€ 170,5 miljoen) de te verwachten ontnemingsvordering (€ 137,4 miljoen, minus correcties) aanzienlijk overstijgt. Rechtbank Oost-Brabant verklaart het beklag ongegrond, omdat zij de waarde van het beslag niet kan vaststellen.
Rechter moet nader onderzoek doen
De Hoge Raad stelt voorop dat de rechter bij een conservatoir beslag op grond van artikel 94a Sv gehouden kan zijn te onderzoeken of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, met name wanneer de klager gemotiveerd aanvoert dat geen redelijke verhouding bestaat tussen de waarde van de inbeslaggenomen voorwerpen en de te verwachten betalingsverplichting. Of en in welke mate de rechter dit onderzoek moet uitvoeren, hangt af van de concreetheid en indringendheid van de aangevoerde argumenten, wat het openbaar ministerie daartegenover stelt, en het tijdsverloop sinds de beslaglegging. Als de rechter van oordeel is dat hij over onvoldoende gegevens beschikt, brengt zijn onderzoekstaak mee dat hij zich nader laat informeren — desnoods door het openbaar ministerie te bevelen stukken over te leggen.
Onvoldoende gemotiveerd
Omdat de klaagster bankafschriften en overzichten heeft overgelegd ter onderbouwing van haar overbeslagklacht, was de rechtbank gehouden blijk te geven van een onderzoek naar proportionaliteit en subsidiariteit. De rechtbank heeft dit nagelaten en heeft volstaan met de overweging dat zij niet over de benodigde stukken beschikt. Daarmee heeft zij onvoldoende concreet blijk gegeven van dat onderzoek, mede omdat zij het openbaar ministerie niet heeft verzocht aanvullende stukken of nadere opgaven te verstrekken. Voor zover de rechtbank meende dat het summiere karakter van de raadkamerprocedure aan zulk onderzoek in de weg staat, heeft zij dit miskend. De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank.
Wet: art. 94a Sv
Bron: Hoge Raad, 10-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:334, 25/00322 | NDFR





Geef een reactie