De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom stukken uit een RIEC-onderzoek niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren. Dat geldt temeer nu blijkt dat de inspecteur later wel over deze stukken beschikte.
Een vrouw drijft een onderneming waarin zij honden fokt en verkoopt. Naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek, informatie van de NVWA en een RIEC-onderzoek stelt de inspecteur dat haar administratie ondeugdelijk is. Hij legt navorderingsaanslagen IB/PVV 2013, een aanslag Zvw 2014 en naheffingsaanslagen btw over 2013 tot en met 2015 op. Daarbij spelen vragen over de administratieplicht, de omkering van de bewijslast en de schatting van omzet en winst. De vrouw verzoekt om overlegging van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder stukken uit het RIEC-onderzoek. De inspecteur stelt dat deze stukken hem niet ter beschikking staan. Het hof volgt dit en wijst ook het verzoek om een integrale proceskostenvergoeding af.
Onvoldoende gemotiveerd oordeel over stukkenplicht
De Hoge Raad stelt voorop dat de inspecteur op grond van art. 8:42 Awb verplicht is alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen die hem ter beschikking staan. Als stukken van belang kunnen zijn voor de beoordeling van geschilpunten, kan de rechter niet zonder meer aannemen dat zij buiten het dossier vallen. In deze zaak staat in cassatie vast dat de inspecteur in een later stadium alsnog de beschikking heeft gekregen over een groot aantal RIEC-stukken. Tegen die achtergrond is het oordeel van het hof dat deze stukken geen onderdeel vormen van het dossier onvoldoende gemotiveerd.
Gevolgen voor bewijs en proceskosten
De Hoge Raad oordeelt daarnaast dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de gang van zaken rond de stukken geen gevolgen heeft voor de bewijsvoering en de proceskostenvergoeding. Daarbij weegt mee dat de inspecteur gedurende de procedure heeft betwist dat de stukken beschikbaar waren, terwijl later het tegendeel blijkt. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof en verwijst de zaak. Hij kent bovendien een proceskostenvergoeding toe van € 15.000.
Wet: art. 8:42 Awb
Bron: Hoge Raad 10 april 2026 (gepubliceerd 10 april 2026), ECLI:NL:HR:2026:571, 23/00547 | NDFR






Geef een reactie