Hof Den Haag oordeelt dat € 86 belastingrente over de aanslag ib/pvv 2020 terecht is. De inspecteur past de wettelijke regeling correct toe en hoeft geen rekening te houden met de lage marktrente.
Een vrouw ontvangt voor 2020 een voorlopige aanslag met een teruggaaf van € 2.162. Zij laat deze voorlopige teruggaaf ongemoeid en dient haar aangifte 2020 pas op 3 februari 2023 in, na herinnering en aanmaning. De definitieve aanslag van 18 april 2023 leidt, na verrekening, tot € 1.132 te betalen. De inspecteur brengt € 86 belastingrente in rekening over de periode 1 juli 2021 tot en met 31 mei 2023. In geschil is of deze belastingrente terecht en juist is berekend.
Wettelijk systeem is doorslaggevend
Het hof oordeelt dat op grond van artikel 30fc AWR belastingrente verschuldigd is als een aanslag met een te betalen bedrag meer dan zes maanden na afloop van het jaar wordt vastgesteld. De rente is berekend tegen het wettelijke minimum van 4% (artikel 30hb AWR) en klopt rekenkundig. Dat de vrouw de voorlopige teruggaaf niet heeft bedoeld of dat de marktrente laag was, doet daar niet aan af. Zij had de voorlopige aanslag kunnen aanpassen of eerder aangifte kunnen doen. Het hoger beroep is ongegrond.
Wet: art. 30fc en art. 30hb AWR
Bron: Gerechtshof Den Haag, 20-01-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:184, BK-25/475 | NDFR





Geef een reactie