De Hoge Raad oordeelt dat het verhoogde rentepercentage van 4% niet mag worden toegepast over een periode vóór 1 oktober 2020. Het legaliteitsbeginsel staat toepassing zonder wettelijke grondslag niet toe.
Een man dient aangiften IB/PVV 2015 en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw 2016 in. Later dient hij herziene aangiften in waarin hij alsnog inkomen uit onderneming aangeeft. De inspecteur legt daarop navorderingsaanslagen op voor deze jaren en brengt belastingrente in rekening. Voor een deel van de periode past hij het per 1 oktober 2020 verhoogde rentepercentage van 4% toe. De man maakt bezwaar en stelt dat dit percentage niet mag gelden voor de periode vóór die datum. Rechtbank Zeeland-West-Brabant en Hof Den Bosch volgen de inspecteur.
Geen bevoegdheid zonder wettelijke basis
De Hoge Raad stelt voorop dat belastingrente alleen kan worden geheven op basis van de op dat moment geldende wettelijke regeling. Het legaliteitsbeginsel brengt mee dat een verhoging van het rentepercentage niet kan worden toegepast op een periode waarin die verhoging nog niet gold. Voor de periode vóór 1 oktober 2020 ontbreekt daarom de wettelijke grondslag voor toepassing van het percentage van 4%. De inspecteur was in zoverre niet bevoegd om dit hogere percentage toe te passen.
Toepassing oud percentage verplicht
Dat de rentebeschikking pas na 1 oktober 2020 wordt vastgesteld, maakt dit niet anders. De Hoge Raad verwerpt het oordeel dat aansluiting kan worden gezocht bij het moment van vaststellen van de beschikking. Voor de periode vóór 1 oktober 2020 moet het toen geldende lage rentepercentage van 0,01% worden toegepast. De Hoge Raad vermindert de belastingrente en stelt deze vast op € 124.
Wet: art. 30hb AWR en art. 1 Besluit belasting- en invorderingsrente
Bron: Hoge Raad 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:591, 25/02195 | NDFR
GenIA-L jurisprundentieonderzoek
Vind en analyseer relevante rechtspraak in minuten. Een uitspraak van vandaag is vanaf morgen te vinden in GenIA-L!





Geef een reactie