Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelt dat de Italiaanse wetgeving voor toegang tot bankgegevens door de belastingdienst onvoldoende waarborgen biedt tegen willekeur. De wetgeving voldoet niet aan de kwaliteitseisen die artikel 8 EVRM stelt aan inmenging in het privéleven.
Twee Italiaanse belastingplichtigen krijgen van hun bank bericht dat de inspecteur inzage vraagt in hun bankrekeningen en transactieoverzichten. De verzoeken zien op meerdere jaren en zijn bedoeld voor fiscale controles. De autorisatie voor deze inzage is verleend door leidinggevenden binnen de belastingdienst zelf. De man en de vrouw stellen dat de wet te weinig bescherming biedt tegen misbruik, omdat niet duidelijk is wanneer en onder welke voorwaarden de inspecteur bankgegevens mag opvragen. Ook ontbreekt volgens hen een mogelijkheid om die inzage vooraf of achteraf effectief door een onafhankelijke rechter te laten toetsen. Zij stappen daarom rechtstreeks naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en klagen over schending van hun recht op privéleven.
Te ruime bevoegdheid voor belastinginspecteur
Het Hof stelt voorop dat inzage in bankgegevens een inmenging vormt in het privéleven. Hoewel belastingcontrole een legitiem doel is, moet de inmenging wel “in accordance with the law” zijn. Volgens het Hof schiet de Italiaanse wetgeving hier tekort. De wet geeft de inspecteur een zeer ruime bevoegdheid om bankgegevens op te vragen, zonder duidelijke wettelijke criteria die deze bevoegdheid begrenzen. Administratieve richtlijnen bevatten wel voorwaarden, maar die zijn niet bindend en hoeven volgens de Italiaanse rechtspraak niet eens te worden gemotiveerd in de autorisatie. Daardoor kan de inspecteur feitelijk naar eigen inzicht handelen.
Geen effectieve rechterlijke toetsing
Daarnaast ontbreekt een effectieve rechterlijke of onafhankelijke controle. De betrokkenen kunnen de autorisatie niet zelfstandig aanvechten bij de belastingrechter. Toetsing is pas mogelijk bij een latere aanslag, die jaren op zich kan laten wachten en waarbij gebreken in de autorisatie meestal geen gevolgen hebben. Ook civiele procedures of een klacht bij de belastingombudsman bieden geen reële bescherming. Het Hof concludeert daarom dat de wettelijke regeling onvoldoende waarborgen bevat tegen willekeur. Italië schendt art. 8 EVRM en moet zijn wetgeving aanpassen, onder meer door duidelijke criteria en effectieve toetsing van inzage in bankgegevens te regelen.
Wet: art. 8 EVRM
Bron: Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 8 januari 2026 (gepubliceerd 8 januari 2026), ECLI:CE:ECHR:2026:0108JUD004060719, appl.nrs. 40607/19 en 34583/20






Geef een reactie