De Kamer steunt, met enige tegenzin, het nieuwe box 3‑stelsel dat per 2028 moet ingaan, maar plaatst stevige kanttekeningen bij de gekozen vorm van belasting op vermogen en de onderbouwing daarvan.
Dat bleek in het debat van maandag over het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Vanaf 2028 worden beleggers in box 3 in principe belast op basis van het werkelijke rendement, maar voor de meeste financiële beleggingen in aandelen, obligaties en crypto gebeurt dat via een vermogensaanwasbelasting, dus jaarlijks over gerealiseerd én ongerealiseerd rendement. Alleen vastgoedbeleggingen en aandelen in start‑ups vallen onder een vermogenswinstbenadering: daar wordt pas afgerekend bij verkoop, met aftrek van kosten en een fictieve huurwaarde (vastgoedbijtelling) voor eigen gebruik.
Veel fracties hebben moeite met deze mix. VVD, CDA, JA21, BBB en PVV willen liever een zuivere vermogenswinstbelasting voor alle bezittingen, waarbij pas bij verkoop wordt geheven. GroenLinks‑PvdA pleit juist voor het volledig belasten van alle waardestijgingen, ook als die nog niet zijn verzilverd, omdat dat volgens hen economisch het minst verstorend en uitvoerbaar is. De staatssecretaris noemt het wetsvoorstel zelf een “tussenstation”: het kabinet ambieert op termijn een bredere vermogenswinstbelasting, maar acht die technisch en uitvoeringsmatig niet haalbaar voor 2028.
Tegelijk voelt de Kamer zich “opgejaagd en gegijzeld”. De invoerdatum is hard: als de wet niet uiterlijk 15 maart is aangenomen, ontstaat in 2028 een gat van circa € 2,4 miljard in de begroting. Een volledige overstap naar een vermogenswinstbelasting zou bovendien in de eerste jaren naar schatting zo’n € 5 miljard aan inkomsten kosten; onduidelijk is wanneer dat gat zou worden ingelopen. Een motie van ChristenUnie‑Kamerlid Grinwis vraagt het kabinet de mogelijke “meeropbrengst” op lange termijn beter in kaart te brengen.
Specifiek de vastgoedbijtelling ligt onder vuur. Voor bezitters van tweede woningen en andere verhuurobjecten biedt de nieuwe wet voordelen (kosten aftrekbaar, heffing pas bij verkoop), maar de fictieve huurwaarde voor eigen gebruik wordt door verschillende Kamerleden als fors en mogelijk juridisch kwetsbaar gezien.
Tot slot is er brede zorg over de complexiteit en de uitvoerbaarheid. De fiscus heeft naar schatting minimaal 900 extra fte nodig om het stelsel uit te voeren, terwijl ruimte voor aanpassingen nu al klein is. Toch lijkt, bij gebrek aan haalbare alternatieven en gezien de budgettaire druk, een meerderheid zich neer te leggen bij dit “tussenstation” richting een nieuw box 3‑stelsel.
Online cursus toepassing box 3 in de praktijk
In dit praktijkgerichte webinar van mr. Eric van Uunen gaan we niet uitgebreid in op de technische details van de box 3-heffing zelf. In plaats daarvan richten we ons op wat écht relevant is voor jouw adviespraktijk: het proactief begeleiden van klanten bij het optimaliseren van hun box 3-positie.





Geef een reactie