Dividend en vervreemdingswinst uit een lucratief belang van een in Duitsland wonende werknemer vallen onder het dividend- en vermogenswinstartikel van het verdrag, niet onder het arbeidsartikel.
Een man woont sinds 1996 in Duitsland en is in 2018 verdragsinwoner van Duitsland. Tot en met 30 september 2018 werkt hij in dienstbetrekking bij een in Nederland gevestigde bv. Hij houdt één certificaat van een gewoon aandeel (0,5%) in die bv. Dit belang kwalificeert als een direct gehouden lucratief belang in de zin van artikel 7.2, lid 2, onderdeel c, en lid 3 jo. artikel 3.92b Wet IB 2001. In 2018 ontvangt hij € 1.883.697 aan dividend, waarop 15% dividendbelasting is ingehouden, en realiseert hij bij verkoop van het belang een vervreemdingswinst van € 5.183.962. De inspecteur betrekt 76,6% van het totale voordeel in de heffing als resultaat uit overige werkzaamheden in de aanslag IB/PVV 2018. In geschil is welke verdragsbepaling van het belastingverdrag Nederland-Duitsland 2012 van toepassing is.
Dividend en winst: artikel 10 en 13 Verdrag
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch sluit aan bij het oordeel van de rechtbank. Het dividend valt onder art. 10 van het verdrag, omdat sprake is van inkomsten uit aandelen die recht geven op een aandeel in de winst. Dat Nederland het dividend nationaal belast als resultaat uit overige werkzaamheden, doet voor de verdragskwalificatie niet ter zake.
De vervreemdingswinst valt onder artikel 13, lid 5, van het verdrag. Aandelen worden niet genoemd in de leden 1 tot en met 4, zodat de restbepaling geldt en het heffingsrecht in beginsel toekomt aan de woonstaat. Het hof verwijst daarbij ook naar het OESO-commentaar, waarin is bevestigd dat vermogenswinsten op aandelen onder deze bepaling vallen.
Geen toepassing arbeidsartikel
Volgens de inspecteur is sprake van loon in de zin van artikel 14, lid 1, van het verdrag (onzelfstandige arbeid), omdat het lucratief belang een beloning voor arbeid zou zijn. Het hof volgt dat niet. De voordelen uit het lucratief belang worden nationaal belast als resultaat uit overige werkzaamheden of – bij keuze – als inkomen uit aanmerkelijk belang, maar niet als loon uit dienstbetrekking.
Ook uit het OESO-commentaar volgt dat na verkrijging en uitoefening van aandelen(opties) latere waardestijgingen worden genoten in de hoedanigheid van aandeelhouder en onder het vermogenswinstartikel vallen. Toepassing van het arbeidsartikel zou leiden tot een verschuiving van heffingsrechten tussen Nederland en Duitsland en is in strijd met een grammaticale uitleg en de goede verdragstrouw. Het hoger beroep van de inspecteur is ongegrond.
Wet: art. 7.2 jo art. 3.92b Wet IB 2001; art. 10, art. 13 en art. 14 Verdrag Nederland-Duitsland 2012
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 28-01-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:189, 24/454 | NDFR






Geef een reactie