Hof Amsterdam oordeelt dat bovenmatige rente op onzakelijke aandeelhoudersleningen verkapte winstuitdelingen vormt. De bv is bovendien grofschuldig doordat zij had moeten beseffen dat de financiering niet onder deze voorwaarden bij derden verkrijgbaar was.
Een vastgoed-bv koopt een kantoorpand voor € 29 miljoen. De aankoop wordt mede gefinancierd met € 18,75 miljoen aan leningen van haar aandeelhouders, vrijwel naar rato van hun aandelenbelang. De leningen hebben een looptijd van vijftien jaar, een rente van 8%, geen tussentijdse aflossingsverplichting en er zijn geen zekerheden verstrekt. De inspecteur vindt de rente onzakelijk hoog en merkt een deel van de rentebetalingen aan als verkapt dividend. Hij legt over 2016 en 2017 naheffingsaanslagen dividendbelasting en vergrijpboetes op. In hoger beroep is onder meer in geschil welk deel van de rente zakelijk is, of sprake is van verkapte winstuitdelingen en of de boetes terecht zijn opgelegd.
Rentebetalingen zijn verkapt dividend
Hof Amsterdam sluit aan bij zijn eerdere oordeel in de procedures over de vennootschapsbelasting dat sprake is van onzakelijke leningen. Met toepassing van de borgstellingsanalogie is voor 98% van de aandelen een rente van 2,28% zakelijk. Voor zover meer rente is betaald, is sprake van een definitieve vermogensverschuiving naar de aandeelhouders. Het hof acht ook aannemelijk dat zowel de bv als haar aandeelhouders zich bewust waren van de bevoordeling. De bovenmatige rente vormt daarom een verkapte winstuitdeling. De naheffingsaanslagen dividendbelasting worden vastgesteld op € 155.879 voor 2016 en € 151.370 voor 2017.
Grove schuld ondanks inschakelen adviseur
Anders dan de rechtbank vindt het hof de vergrijpboetes wel terecht. De kennis en ervaring van de bestuurders kunnen aan de bv worden toegerekend. Zij hadden redelijkerwijs moeten beseffen dat de gewenste financiering niet onder dezelfde voorwaarden bij derden verkrijgbaar was, dat de rente onzakelijk was en dat het verschil een uitdeling vormde waarover dividendbelasting moest worden afgedragen. De bv kan zich ook niet met succes beroepen op de ingeschakelde adviseur. Het advies van EY was gebaseerd op door de bv aangeleverde uitgangspunten en bood volgens het hof geen deugdelijke onderbouwing voor de zakelijkheid van de lening. Er is sprake van grove schuld. Na vermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn bedragen de boetes € 31.176 en € 30.274.
Wet: art. 2 en art. 3 Wet DB 1965; art. 8b Wet Vpb 1969
Bron: Gerechtshof Amsterdam, 11-08-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:2794, 25/706 25/707 25/718 25/719 | NDFR





Geef een reactie