Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat substantiële onttrekkingen uit bv’s, die via boekhoudkundige listen zijn verhuld, moeten worden belast als loon. Omkering en verzwaring van de bewijslast geldt, omdat de man wist dat hij te weinig gebruikelijk loon aangaf.
Een IT-consultant is vanaf 2000 dga van verschillende bv’s waarmee hij werkzaamheden verricht. Uit boekenonderzoek blijkt dat hij in 2013 tot en met 2016 grote bedragen aan de bv’s heeft onttrokken. Hij heeft dit verhuld door oneigenlijke crediteringen via de rekening courant. De aangegeven lonen zijn aanzienlijk lager dan de onttrekkingen. De inspecteur legt navorderingsaanslagen ib/pvv op voor 2013 tot en met 2016 en vergrijpboetes van 50%. De man betwist dat de aanslagen tijdig zijn opgelegd en dat sprake is van opzet. Ook stelt hij recht te hebben op omzetting van een borgstellingsverlies in een belastingkorting.
Omkering bewijslast en redelijke schatting
De aanslagen zijn tijdig opgelegd. De man of zijn adviseur heeft telkens om uitstel verzocht. De bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard omdat de man erkent te weinig gebruikelijk loon te hebben aangegeven en grote bedragen via oneigenlijke crediteringen heeft verhuld. Als hooggekwalificeerde IT-professional moet hij hebben geweten dat een aanmerkelijk hoger salaris voor de hand lag. De schatting van de inspecteur is redelijk. De man slaagt niet in het tegenbewijs en overlegt voor de onttrekkingen geen stukken die de zakelijkheid onderbouwen. Het borgstellingsverlies van € 250.000 wordt niet erkend bij gebrek aan betalingsbewijzen.
De rechtbank oordeelt dat de vergrijpboetes terecht zijn opgelegd wegens opzet, omdat de man bewust de onttrekkingen uit het zicht van de inspecteur heeft gehouden. De boetes worden wel gematigd vanwege het gebruik van omkering en verzwaring van de bewijslast en vanwege overschrijding van de redelijke termijn met ruim zes jaar.
Wet: art. 67d AWR en art. 12a Wet LB 1964





Geef een reactie