Gerechtshof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat een man die tegen een onzakelijk lage vergoeding werkzaamheden verricht voor de bv van zijn kinderen, resultaat uit overige werkzaamheden geniet. De vergrijpboete vervalt wel, omdat de man een pleitbaar standpunt had.
Een man en zijn echtgenote verkeren sinds 2016 in privéfaillissement. Hun zoon en dochter zijn ieder voor 50% indirect aandeelhouder van een bv die onder meer een paardenpension, mesthandel en transportactiviteiten exploiteert. De man verricht voor deze bv uiteenlopende werkzaamheden. Hij stuurt de administratie aan, sluit contracten af en werkt als chauffeur. Hij ontvangt hiervoor slechts een beperkte vergoeding. De man verklaart dat hij geen inkomen op eigen naam wil genereren, omdat dit vanwege zijn faillissement aan de curator zou toevallen. De inspecteur rekent daarom voor 2019 € 64.659 en voor 2020 € 64.581 tot het resultaat uit overige werkzaamheden. In geschil is of dit terecht is en of de vergrijpboete in stand kan blijven.
Zakelijke vergoeding behoort tot resultaat
Het hof oordeelt dat de werkzaamheden een bron van inkomen vormen. De man neemt deel aan het economische verkeer en een voordeel is objectief te verwachten. De werkzaamheden vinden niet plaats in dienstbetrekking, omdat een gezagsverhouding ontbreekt. Dat de man het behaalde voordeel grotendeels niet zelf wil ontvangen, verandert dit niet. Omdat hij vanwege de familieband met zijn kinderen bewust tegen een te lage vergoeding werkt, moet zijn resultaat worden gecorrigeerd naar een zakelijke vergoeding. Het hof acht voor zijn leidinggevende, commerciële en uitvoerende werkzaamheden een vergoeding van minimaal € 70.000 bruto per jaar passend. De door de inspecteur toegepaste correcties zijn daarom niet te hoog.
Pleitbaar standpunt voorkomt vergrijpboete
De vergrijpboete houdt geen stand. Volgens het hof biedt de bestaande rechtspraak weinig concrete aanknopingspunten voor de vraag wanneer meer dan de daadwerkelijk ontvangen vergoeding tot het resultaat uit overige werkzaamheden moet worden gerekend. De man kon daarom redelijkerwijs menen dat hij alleen de daadwerkelijk ontvangen vergoeding hoefde aan te geven. Er is sprake van een pleitbaar standpunt, zodat geen vergrijpboete kan worden opgelegd.
Wet: art. 3.90 en 3.94 Wet IB 2001
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 22-07-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1941, 24/1443 en 24/1444 | NDFR





Geef een reactie