Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat ingehouden dividendbelasting moet worden afgedragen, ook als achteraf blijkt dat inhouding materieel niet verschuldigd was. Een kunstmatige structuur leidt bovendien tot een forse vergrijpboete.
Een bv maakt in 2013 deel uit van een internationale structuur waarbij via Luxemburg en het VK grote dividendstromen worden geleid. De bv ontvangt circa € 300 miljoen aan dividend en keert vrijwel hetzelfde bedrag door, onder inhouding van € 44,9 miljoen dividendbelasting. Zij past een afdrachtvermindering toe, waardoor niets wordt afgedragen. Later blijkt dat de Luxemburgse bronbelasting feitelijk wordt teruggegeven, zodat deze niet op de bv drukt. De inspecteur legt een naheffingsaanslag dividendbelasting op, met rente en een vergrijpboete. In geschil is of de naheffing terecht is en of de boete in stand blijft.
Afdrachtplicht ondanks materiële onverschuldigdheid
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de bv de ingehouden dividendbelasting moet afdragen. Op grond van artikel 7 Wet DB is de inhoudingsplichtige verplicht ingehouden belasting af te dragen, ook als later blijkt dat deze materieel niet verschuldigd was. Doordat de bv ten onrechte een afdrachtvermindering heeft toegepast, is te weinig belasting betaald en mag de inspecteur naheffen. Het verweer dat geen sprake is van een echte opbrengst vanwege de kunstmatige structuur slaagt niet. De bv heeft immers daadwerkelijk dividenden uitgekeerd en daarop belasting ingehouden.
Opzet en forse vergrijpboete
Het hof acht bewezen dat de bv bewust heeft meegewerkt aan een kunstmatige structuur gericht op het creëren van buitenlandse tax credits zonder daadwerkelijke belastingdruk. De bestuurders wisten dat de Luxemburgse dividendbelasting zou worden terugontvangen en dus niet op de bv drukte. Toch is de afdrachtvermindering geclaimd. Van een pleitbaar standpunt is geen sprake. De vergrijpboete van 50% blijft daarom in stand, met slechts een kleine vermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn. De belastingrente blijft eveneens in stand.
Wet: art. 7 Wet DB 1965
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24-03-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1691, 23/2320 | NDFR





Geef een reactie