A-G Wattel ziet geen rechtvaardiging meer voor fiscaal onderscheid tussen ontnemende verbeurdverklaring en voordeelontneming, maar cassatie strandt omdat uit strafvonnis blijkt dat verbeurdverklaring bestraffend bedoeld is.
De zaak draait om een man die in 2017 inkomsten heeft uit illegale drugsproductie. De strafrechter veroordeelt hem tot een gevangenisstraf en verklaart onder meer € 59.065 aan contanten en een auto verbeurd. De inspecteur legt vervolgens een ambtshalve aanslag IB/PVV 2017 op, gebaseerd op een vermogensvergelijking waarin ook het verbeurdverklaarde geld en de auto zijn meegenomen. De man vindt dat onjuist: deze vermogensbestanddelen zijn hem immers afgenomen en zouden daarom niet (nogmaals) belast mogen worden. Volgens hem is sprake van fiscale discriminatie, omdat voordeelontneming wel aftrekbaar is en verbeurdverklaring niet.
Fiscaal onderscheid onder druk door strafrechtelijke ontwikkeling
A-G Wattel analyseert uitgebreid de verhouding tussen verbeurdverklaring en voordeelontneming. Hij wijst erop dat sinds de strafrechtelijke wetswijzigingen van 2011 verbeurdverklaring steeds vaker wordt ingezet als alternatief voor voordeelontneming. In de strafrechtspraak worden ontnemende verbeurdverklaringen zelfs verrekend met een latere ontnemingsmaatregel. Materieel bezien is het verschil tussen beide sancties daardoor vervaagd. Vanuit die invalshoek zijn ontnemende verbeurdverklaring en voordeelontneming gelijke gevallen. Het fiscale onderscheid in art. 3.14 Wet IB 2001 mist dan volgens de A-G een redelijke rechtvaardiging.
Geen aftrek omdat ontnemend karakter niet vaststaat
Toch leidt dit principiële standpunt niet tot succes voor de man. De A-G benadrukt dat de fiscus de strafrechter moet volgen. Alleen als buiten redelijke twijfel vaststaat dat de verbeurdverklaring ontnemend bedoeld is, kan aftrek aan de orde komen. In deze zaak verwijst het strafvonnis slechts algemeen naar art. 33a Sr en blijkt uit de motivering eerder een bestraffend dan een ontnemend doel. Daarom moet fiscaal worden uitgegaan van een niet-aftrekbare verbeurdverklaring. Ook de beroepen op het gelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en art. 1 Protocol I EVRM slagen niet. De A-G adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep ongegrond te verklaren.
Wet: art. 3.14 Wet IB 2001; art. 33a en art. 36e Sr
Bron: Parket bij de Hoge Raad, 12-12-2025, ECLI:NL:PHR:2025:1361, 25/01717 | NDFR





Geef een reactie