Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur voor 2021 mag navorderen. De vrouw maakt niet aannemelijk dat zij al per 1 juli 2020 ondernemer is, zodat de inspecteur mag uitgaan van ondernemerschap vanaf 18 maart 2021.
Een vrouw is sinds 1996 betrokken bij een familiebedrijf met een boomkwekerij. Eerst gebeurt dat via een vof, later via een cv. Zij treedt in 2006 uit de cv en haar echtgenoot neemt haar plaats in, terwijl zij zelf een arbeidsvergoeding ontvangt die zij in elk geval vanaf 2010 aangeeft als resultaat uit overige werkzaamheden. Per 30 juni 2020 wordt de cv ontbonden. In een op 29 maart 2021 getekende ontbindingsovereenkomst staat dat haar oudere broer, haar echtgenoot en zij het bedrijf voortzetten in een vof. Die nieuwe vof wordt pas op 18 maart 2021 ingeschreven in het Handelsregister en de schriftelijke vof-overeenkomst volgt op 10 januari 2022. In geschil is of zij voor 2021 al per 1 juli 2020 ondernemer is en of de inspecteur daarom een nieuw feit heeft voor navordering.
Nieuw feit voor navordering
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur over een nieuw feit beschikt dat navordering voor 2021 rechtvaardigt. De aanslag IB/PVV 2021 is namelijk op 20 juni 2023 geautomatiseerd en conform de aangifte opgelegd. De inspecteur mag daarbij in beginsel uitgaan van de juistheid van een verzorgde aangifte die is ingediend door een fiscaal deskundige. De stukken waarop de inspecteur zijn standpunt baseert, zoals de ontbindingsovereenkomst van de cv en de overeenkomst van de nieuwe vof, ontvangt hij pas op 26 oktober 2023. Dat een inspecteur schenkbelasting mogelijk al eerder over die stukken beschikt, helpt de vrouw niet. Volgens de rechtbank hoeft de inspecteur voor de IB/PVV niet het dossier schenkbelasting of de IB/PVV-dossiers van familieleden te raadplegen. Daarmee is sprake van een nieuw feit.
Ondernemerschap pas in 2021
Vervolgens oordeelt de rechtbank dat de vrouw niet aannemelijk maakt dat zij al per 1 juli 2020 ondernemer is. In de ontbindingsovereenkomst van 29 maart 2021 staat wel dat het bedrijf wordt voortgezet in een vof, maar daaruit volgt volgens de rechtbank niet dat die vof ook al vanaf 1 juli 2020 bestaat. Daarbij weegt mee dat partijen juist kiezen voor een schriftelijke vastlegging, die pas op 10 januari 2022 tot stand komt. Ook de inschrijving in het Handelsregister op 18 maart 2021 wijst er eerder op dat de nieuwe vof pas in 2021 is opgericht. De vrouw komt bovendien niet weg met alleen de stelling dat al in 2020 mondeling overeenstemming bestond. De rechtbank vindt ook niet aannemelijk dat een terugwerkende kracht hier niet op incidenteel fiscaal voordeel is gericht. De navorderingsaanslag over 2021 blijft daarom in stand.
Wet: art. 16 AWR en art. 3.4 Wet IB 2001
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 02-04-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:2479, 24/5542 | NDFR





Geef een reactie