Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de man geen terbeschikkingstellingsverlies kan nemen, omdat hij geen verhaalsrecht op de bv aannemelijk maakt. Ook vormen overboekingen naar hem en zijn stiefzoon een winstuitdeling, waardoor hij niet de vereiste aangifte heeft gedaan.
Een man houdt in 2017 alle aandelen in een werkmaatschappij. Die bv wordt op 20 juli 2017 voor € 1.000 verkocht, terwijl uit de jaarrekening 2016 nog een eigen vermogen van € 880.859 blijkt. Kort voor de verkoop kondigt de inspecteur boekenonderzoeken aan bij de holding en de werkmaatschappij. In november 2017 gaat de werkmaatschappij failliet. Later start de FIOD een strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke faillissementsfraude. De inspecteur corrigeert de aangifte ib/pvv 2017 en rekent inkomen uit aanmerkelijk belang toe. De man stelt onder meer dat hij een terbeschikkingstellingsverlies kan nemen wegens een betaling aan de bank en dat het inkomen uit aanmerkelijk belang te hoog is vastgesteld. In geschil is ook of de bewijslast moet worden omgekeerd.
Geen verhaalsrecht op werkmaatschappij
Het hof volgt de man niet in zijn standpunt dat hij in 2017 een terbeschikkingstellingsverlies van € 532.265 kan nemen. Dat hij hoofdelijk aansprakelijk is voor schulden uit de kredietovereenkomst betekent nog niet dat de werkmaatschappij intern draagplichtig is voor het bedrag dat hij later aan de bank betaalt. Uit de verkoopovereenkomst volgt juist niet dat de werkmaatschappij op het moment van verkoop nog een schuld aan de bank heeft. Ook zijn geen afspraken over interne draagplicht overgelegd. Daardoor is geen regresvordering aannemelijk en kan de man daarvoor geen voorziening vormen. Ook een hogere verkrijgingsprijs wegens informele kapitaalstorting komt daarom niet in beeld.
Overboekingen zijn winstuitdeling
Het hof vindt wel aannemelijk dat € 235.000 aan de werkmaatschappij is onttrokken. Het gaat om € 135.000 aan overboekingen naar de man privé en € 100.000 naar zijn stiefzoon. De verklaring dat dit geld weer in de kas van de onderneming terechtkomt, is niet onderbouwd. Daarbij wijst het hof op verklaringen tegenover de FIOD en op het ontbreken van kasbescheiden. Omdat de man enig aandeelhouder en bestuurder is, moet hij zich bewust zijn geweest van de bevoordeling. Het bedrag vormt daarom een winstuitdeling. Doordat hij die uitdeling niet aangeeft, doet hij niet de vereiste aangifte. De inspecteur mag uitgaan van een redelijke schatting. Het hoger beroep van de man is ongegrond en het incidenteel hoger beroep van de inspecteur is gegrond.
Wet: art. 2.17, art. 3.92 en art. 4.12 Wet IB 2001
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21-04-2026, ECLI:NL:GHARL:2026:2740, 24/1565 | NDFR




Geef een reactie