De Kennisgroep overdrachtsbelasting heeft de vraag beantwoord of de vrijstelling van overdrachtsbelasting van artikel 15, eerste lid, onderdeel b van de WBR in het geval van een gefaseerde bedrijfsoverdracht wordt teruggenomen wanneer tussentijds, vóór voltooiing van de bedrijfsoverdracht, een eerder fasegewijs verkregen deel van de onderneming door de overnemer wordt ingebracht in een bv.
Vader en moeder exploiteerden gezamenlijk een onderneming in de vorm van een vof. De economische eigendom van een onroerende zaak is ingebracht in de vof.
Een kind is tot de vof toegetreden, waarbij zowel een aandeel in de (subjectieve) onderneming van vader als van moeder is verkregen. Het kind heeft een beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b van de Wet op belastingen van rechtsverkeer wegens een (gefaseerde) bedrijfsoverdracht. Uit de vof-akte volgt het overnameplan.
Moeder is vervolgens in de loop van de tijd uit de vof getreden en heeft haar (resterende) vof-aandeel (subjectieve onderneming) overgedragen aan het kind. Ook voor deze verkrijging is een beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR. Het kind en vader hebben de vof gezamenlijk voortgezet.
Het kind brengt twee jaar later zijn subjectieve onderneming (zijn aandeel in de vof) in een bv, waarvan het kind alle aandelen houdt.
Vraag
Leidt de inbreng door het kind van zijn – met toepassing van artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR, vrijgesteld verkregen – subjectieve onderneming in de bv ertoe dat de eerder verleende vrijstelling wordt teruggenomen?
Antwoord
Ja. Voor zover de vrijstelling betrekking heeft op de verkrijging van (het gedeelte van) de subjectieve onderneming van vader.





Geef een reactie