De Hoge Raad oordeelt dat giften aan buitenlandse instellingen zonder Nederlandse anbi-registratie niet aftrekbaar zijn. De registratievoorwaarde vormt geen verboden belemmering van het vrije kapitaalverkeer.
Belanghebbende heeft giften gedaan aan instellingen in Duitsland en Zwitserland. Deze instellingen zijn in Nederland niet geregistreerd als algemeen nut beogende instelling (anbi), omdat zij geen verzoek daartoe hebben ingediend. De inspecteur heeft giftenaftrek geweigerd omdat de instellingen niet aan de registratievoorwaarde voldoen. Hof Amsterdam (28 maart 2024, NTFR 2024/1007) heeft de inspecteur in het gelijk gesteld. Van een schending van EU-recht is geen sprake. De Nederlandse wet maakt geen onderscheid tussen giften aan in Nederland of daarbuiten gevestigde anbi’s. Van een juridische of feitelijke belemmering van het vrije kapitaalverkeer is geen sprake. Bovendien is de registratievoorwaarde gerechtvaardigd vanwege de handhaafbaarheid en controle door de Belastingdienst.
De Hoge Raad onderschrijft het oordeel van het hof. Anders dan in het arrest Persche (HvJ EU 27 januari 2009, NTFR 2009/366) worden buitenlandse instellingen niet uitgesloten vanwege hun vestigingsplaats, maar vanwege het ontbreken van registratie. Deze registratievoorwaarde is voor alle instellingen gelijk. Ook is de aanvraag van een anbi-registratie voor buitenlandse instellingen niet onredelijk bezwarend. Daarom is art. 63 VWEU (vrij kapitaalverkeer) niet geschonden en wordt geen prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie.
Wet: art. 6.32, art. 6.33 en art. 6.35 Wet IB 2001, art. 5b AWR en art. 63 VWEU
Bron: Hoge Raad, 30-01-2026, ECLI:NL:HR:2026:136, 24/01455 | NDFR






Geef een reactie