Rechtbank Den Haag oordeelt dat de kwijtschelding van een rekening-courantschuld aan de holding een verkapt dividend vormt. De inspecteur heeft terecht de helft van de kwijtgescholden schuld als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang in box 2 belast.
Een man houdt 100% van de aandelen in een holding bv. In de aangiften vennootschapsbelasting van de holding over 2010 tot en met 2014 staat een oplopende rekening-courantvordering (rc-vordering) op de man geboekt, oplopend tot ruim € 288.000. Ook in de aangiften ib/pvv van de man voor 2013 en 2014 is een corresponderende rc-schuld opgenomen. In 2015 treedt de man af als bestuurder van de holding en draagt hij de leiding over. Op 25 mei 2016 sluit de man een vaststellingsovereenkomst met de holding, waarin een rc-schuld van € 314.136 als ‘foutief’ wordt bestempeld en kwijtgescholden. De man stelt dat de rc-vordering nooit heeft bestaan en hij nooit geld heeft opgenomen van de holding. De inspecteur belast de helft van de kwijtgescholden schuld als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang in box 2 en legt een vergrijpboete van 50% op.
Rc-vordering bestond wel degelijk
Rechtbank Den Haag acht aannemelijk dat de rc-vordering tot het moment van kwijtschelding heeft bestaan. De rechtbank wijst daarbij op de jaarlijks oplopende balanspost in de aangiften vpb, de corresponderende schuld in de ib/pvv-aangiften van de man zelf, en de vaststellingsovereenkomst die de kwijtschelding bevestigt. De stelling dat het om foute boekingen gaat, onderbouwt de man niet. Het rapport van de accountant die het onderzoek zou hebben verricht, heeft de man nooit gezien en hij kent de naam van de accountant niet. De rechtbank oordeelt dat de kwijtschelding onzakelijk is: de holding vernietigt daarmee haar belangrijkste activum, terwijl de man van zijn schuld wordt bevrijd. Dit levert een verkapte uitdeling op. Verweerder heeft terecht de helft van de kwijtgescholden rc-schuld als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang bij de man in box 2 in aanmerking genomen.
De rechtbank oordeelt dat de man met voorwaardelijk opzet heeft gehandeld. Hij heeft zelf de vaststellingsovereenkomst ondertekend en wist dat de kwijtschelding de holding zou verarmen en hemzelf zou verrijken. Dat hij de administratie geheel aan anderen overliet, komt voor zijn rekening en risico. De vergrijpboete van 50% acht de rechtbank passend.
Wet: art. 4.12 en 4.13 Wet IB 2001
Bron: Rechtbank Den Haag, 13-11-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22439, AWB – 24 _ 2770 | NDFR





Geef een reactie