Rechtbank Den Haag oordeelt dat de bijzondere invaliditeitsverhoging (BIV) voor een oud-militair een belastbare publiekrechtelijke periodieke uitkering is. Dat de uitkering geen loon vormt en samenhangt met immateriële schade, maakt haar niet onbelast.
Een oud-militair raakt in 1960 tijdens zijn diensttijd arbeidsongeschikt door een ongeval. Hij ontvangt sindsdien een levenslang invaliditeitspensioen en een bijzondere invaliditeitsverhoging (BIV-uitkering). In 2022 ontvangt hij in totaal € 15.461 en in 2023 € 21.810 aan invaliditeitspensioen inclusief BIV. Voor de jaren 2022 en 2023 legt de inspecteur aanslagen ib/pvv op conform de aangiften. De man maakt bezwaar omdat volgens hem de BIV-uitkering – als immateriële schadevergoeding – onbelast is. In geschil is of het BIV-deel (€ 2.811 in 2022 en € 3.965 in 2023) belast is.
Publiekrechtelijke periodieke uitkering
De rechtbank stelt voorop dat periodieke uitkeringen die worden ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling belast zijn op grond van artikel 3.101, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001. De BIV-uitkering vindt haar grondslag in de Kaderwet militaire pensioenen en bijbehorende besluiten. Daarmee vloeit zij rechtstreeks voort uit publiekrechtelijke regelgeving en niet uit een privaatrechtelijke arbeidsverhouding.
Daarnaast wordt de BIV maandelijks uitgekeerd, vervalt het recht bij overlijden en is het totale beloop afhankelijk van een onzekere toekomstige gebeurtenis (de levensduur). Daarmee is sprake van een reeks van uitkeringen waarvan het totale bedrag onzeker is. Dat partijen het erover eens zijn dat geen sprake is van loon, betekent niet dat de uitkering onbelast is.
Geen gelijke gevallen met eenmalig smartengeld
Het beroep op het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2022 over een eenmalige letselschadevergoeding slaagt niet. Dat arrest ziet op een eenmalige smartengelduitkering. De BIV-uitkering wordt daarentegen periodiek uitgekeerd. Volgens de rechtbank is daarom geen sprake van gelijke gevallen. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.
Bron: Rechtbank Den Haag, 25-09-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17825, AWB – 24 _ 10190 | NDFR





Geef een reactie