Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat een man via een leningconstructie met winstdelende vergoeding een genotsrecht op aandelen heeft. Daardoor houdt hij ondanks een optierecht van een derde nog steeds een aanmerkelijk belang en is de verkoopwinst belast in box 2.
Een man verstrekt in 2011 samen met andere participanten een geldlening van in totaal € 550.000 aan een fonds. Zelf leent hij € 150.000 uit. Het fonds gebruikt de leningen om preferente aandelen te kopen in een bv die actief is onder de naam [bedrijf 2a]. De rente op de lening is winstdelend en gekoppeld aan de opbrengsten van deze aandelen. Tegelijk met de lening wordt een call-optie overeengekomen: een andere bv krijgt het recht om 20% van de vorderingen van de leninggevers over te nemen voor € 110.000. In 2014 verkoopt het fonds een deel van de aandelen en in 2018 de rest. De man ontvangt daarbij € 907.565. In zijn aangifte ib/pvv 2018 geeft hij dit bedrag aan in box 3. De inspecteur rekent het voordeel echter tot inkomen uit aanmerkelijk belang. In geschil is of de man in 2018 een aanmerkelijk belang heeft.
Genotsrecht leidt tot aandeelhouderschap
Het hof stelt vast dat de man via de lening economisch belang krijgt bij de aandelen van [bedrijf 2a]. Zonder rekening te houden met de optie bedraagt dit belang aanvankelijk 10,605%. Na de verkoop van een deel van de aandelen in 2014 resteert nog 5,3%. Volgens de man moet voor 20% van zijn belang rekening worden gehouden met het optierecht van de andere bv, waardoor hij nog slechts 4,24% zou hebben en dus geen aanmerkelijk belang meer.
Het hof volgt dat standpunt niet. Uit de leningovereenkomst blijkt namelijk dat de leninggevers tot aan uitoefening van de optie gerechtigd blijven tot alle opbrengsten uit de aandelen, zoals dividend en verkoopopbrengst.
Belang blijft boven 5%
Volgens het hof heeft de man daardoor een genotsrecht op de aandelen. Op grond van artikel 4.3 Wet IB 2001 wordt iemand die alleen recht heeft op de voordelen uit aandelen gelijkgesteld met een aandeelhouder. Zijn gerechtigdheid wordt voor de aanmerkelijkbelangregeling behandeld als een aandeel. Dat betekent dat ook het deel waarop de optie rust tot zijn belang behoort.
Het belang van de man bedraagt daardoor na de verkoop in 2014 nog steeds 5,3%. Daarmee houdt hij een aanmerkelijk belang. De verkoop van de resterende aandelen in 2018 leidt daarom tot belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. Het hof verklaart het hoger beroep van de inspecteur gegrond en vernietigt de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Wet: art. 4.3 en art. 5.22 Wet IB 2001
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 21-01-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:142, 24/1310 | NDFR
GenIA-L jurisprundentieonderzoek
Vind en analyseer relevante rechtspraak in minuten. Een uitspraak van vandaag is vanaf morgen te vinden in GenIA-L!





Geef een reactie