Een man die partneralimentatie betaalt aan zijn in Tsjechië wonende ex-partner heeft recht op aftrek van onderhoudsverplichtingen. Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat sprake is van een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud.
Een man woonde in 2020 het hele jaar in Nederland. Hij had van mei 2010 tot december 2013 samengewoond met zijn ex-partner, uit welke relatie twee kinderen zijn geboren. Na het verbreken van de relatie emigreerde de ex-partner naar Tsjechië, waar zij met de kinderen is blijven wonen. In 2017 legden de man en zijn ex-partner hun afspraken vast in een alimentatieovereenkomst: CZK 23.850 per maand als bijdrage in het levensonderhoud van de ex-partner, ter compensatie van het feit dat zij minder werkt om voor de kinderen te zorgen. In zijn aangifte IB/PVV 2020 claimt de man een aftrek van € 14.395 wegens onderhoudsverplichtingen. De inspecteur weigert deze aftrek omdat de financiële situatie van de ex-partner onvoldoende in beeld is.
Dringende morele verplichting aanwezig
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur de aftrek ten onrechte heeft geweigerd. Zij acht aannemelijk dat tijdens de relatie sprake was van een bovengemiddelde levensstandaard, gelet op het aanzienlijke inkomen van de man. De ex-partner verrichtte geen arbeid omdat zij studeerde en voor de kinderen zorgde. Na het verbreken van de relatie heeft de ex-partner slechts geringe inkomsten uit freelancewerk, terwijl zij vanwege de zorg voor de kinderen niet meer volledig kan werken en de huurlasten in haar woonplaats gemiddeld CZK 20.000 per maand bedragen. Dat de inkomsten van de ex-partner met de alimentatie ruim boven het Tsjechische minimumloon liggen, acht de rechtbank niet doorslaggevend: ook vóór het verbreken van de relatie lag het gezinsinkomen al aanzienlijk hoger dan het minimumloon.
Hoogte van de aftrek
De man verzoekt ter zitting enkel aftrek van de per bank betaalde bedragen. De rechtbank begrenst de aftrek tot het in de overeenkomst vastgelegde bedrag van CZK 23.850 per maand (CZK 286.200 per jaar), omdat voor het meerdere geen in rechte vorderbare aanspraak bestaat. Omgerekend bedraagt de toegestane aftrek € 11.093. Het beroep is gegrond en de aanslag wordt verminderd.
Wet: art. 6.3 Wet IB 2001
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16-03-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:1912, 25/834 | NDFR





Geef een reactie