Een man met een woning in Nederland krijgt slechts één keer heffingvrij vermogen in box 3. Zijn in Frankrijk wonende partner telt niet mee, ook niet op grond van het Unierecht.
Een man woont in Frankrijk en heeft daar een geregistreerd partnerschap (civil de solidarité) met zijn partner. Tussen hen bestaat geen gemeenschap van goederen. De man is eigenaar van een woning in Nederland met een WOZ-waarde van € 384.000 en geniet in 2021 alleen box 3-inkomen uit deze woning. Zijn overige inkomsten en die van zijn partner worden in Frankrijk belast. De inspecteur houdt bij het vaststellen van de aanslag ib/pvv 2021 rekening met eenmaal het heffingvrije vermogen. De man stelt dat hij recht heeft op tweemaal het heffingvrije vermogen en beroept zich daarbij op het Unierecht en het belastingverdrag met Frankrijk. In geschil is of dit standpunt juist is.
Heffingvrij vermogen is brongebonden
Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat het heffingvrije vermogen een brongebonden vrijstelling is. Dit betekent dat deze vrijstelling niet samenhangt met de persoonlijke of gezinssituatie, maar met het belastbare vermogen zelf. De man wordt voor zijn Nederlandse box 3-vermogen op dezelfde wijze behandeld als een ingezetene. Zijn partner heeft echter geen box 3-vermogen in Nederland en is bovendien geen mede-eigenaar van de woning. Daarom heeft zij geen recht op toepassing van het heffingvrije vermogen. Het belastingverdrag verplicht Nederland niet om tweemaal rekening te houden met deze vrijstelling.
Geen verboden discriminatie
Volgens het hof is geen sprake van verboden discriminatie. Ingezetenen en niet-ingezetenen verkeren niet in een vergelijkbare situatie, omdat bij niet-ingezetenen alleen het in Nederland belastbare vermogen in aanmerking wordt genomen. Voor zover de man een beroep doet op zijn gezinssituatie, geldt dat de inkomsten van hem en zijn partner in Frankrijk worden belast. Nederland hoeft daarom geen rekening te houden met een dubbele vrijstelling. Het hoger beroep is ongegrond en de aanslag blijft in stand.
Wet: art. 1.2; 5.2; 7.7 en 7.8 Wet IB 2001
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 04-03-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:593, 24/476 | NDFR







Geef een reactie