De Hoge Raad oordeelt dat geen sprake is van schending van het una-viabeginsel. De aansprakelijkstelling voor een vergrijpboete blijft in stand omdat deze ziet op andere tijdvakken dan de strafrechtelijke veroordeling.
Een man is vanaf 2 mei 2011 bestuurder van een bv. Na boekenonderzoek legt de inspecteur naheffingsaanslagen loonheffingen op over 2011 t/m 2013, inclusief een vergrijpboete over 2013. De bv betaalt deze bedragen niet, waarna de ontvanger de man als bestuurder aansprakelijk stelt. De man is daarnaast strafrechtelijk veroordeeld voor het feitelijk leiding geven aan het onjuist doen van aangiften loonheffingen over 2011 en 2012. In geschil is of de aansprakelijkstelling voor de vergrijpboete 2013 in strijd is met het una-viabeginsel.
Geen schending una via-beginsel
De Hoge Raad oordeelt dat geen sprake is van strijd met het una-viabeginsel van artikel 5:44 Awb. De strafrechtelijke veroordeling ziet namelijk op aangiftetijdvakken in 2011 en 2012, terwijl de vergrijpboete betrekking heeft op 2013. Daardoor gaat het om verschillende gedragingen. Dat betekent dat de man voor deze afzonderlijke feiten zowel strafrechtelijk kan worden vervolgd als fiscaal aansprakelijk kan worden gesteld voor een boete. Het hof heeft dit onderscheid miskend door uit te gaan van dezelfde gedraging.
Aansprakelijkheid voor boete blijft in stand
Omdat geen sprake is van samenloop van sancties voor dezelfde gedraging, blijft de aansprakelijkstelling voor de vergrijpboete 2013 in stand. De Hoge Raad vernietigt de hofuitspraak op dit punt en stelt de aansprakelijkheid vast op € 272.509. Het principale cassatieberoep van de man is ongegrond, terwijl het incidentele beroep van de staatssecretaris slaagt.
Wet: art. 36 IW, art. 69 AWR en art. 5:44 Awb
Bron: Hoge Raad, 10-04-2026, ECLI:NL:HR:2026:586, 25/01557 | NDFR





Geef een reactie