Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat de schenkingen van twee zoons aan de latrelatie van hun overleden vader niet zijn vrijgesteld van schenkbelasting. De vrouw maakt niet aannemelijk dat de betalingen strekken tot voldoening aan een natuurlijke verbintenis.
Een vrouw woont in België en heeft een latrelatie gehad met een man die in 2019 overlijdt. De man laat zijn twee zoons als enige erfgenamen achter. Op 20 juni 2019 sluiten de vrouw en de zoons een vaststellingsovereenkomst. Daarin staat dat de vader volgens hen het voornemen had om bij overlijden in haar verzorging en die van haar kinderen te voorzien. De zoons betalen haar in totaal € 500.000, ieder € 250.000. In de aangiften schenkbelasting doet de vrouw een beroep op de vrijstelling voor voldoening aan een natuurlijke verbintenis. De inspecteur past die vrijstelling niet toe. In geschil is of de schenkingen zijn vrijgesteld van schenkbelasting.
Natuurlijke verbintenis vader ontbreekt
Het hof stelt voorop dat de vrouw aannemelijk moet maken dat de betalingen zijn gedaan ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis. Volgens haar rustte op de overleden vader een dringende morele verplichting om in haar levensonderhoud te voorzien. Het hof volgt dat niet. Ook als aan een handgeschreven, niet ondertekend stuk van de vader betekenis toekomt, blijkt daaruit niet dat hij zelf uitvoering heeft gegeven aan zo’n verplichting of zijn erfgenamen daartoe heeft aangezet. Het stuk geldt bovendien niet als uiterste wil. De relatie van anderhalf jaar is onvoldoende om, tegenover de betwisting door de inspecteur, een dringende morele verplichting van de vader aannemelijk te maken.
Ook geen verplichting van zoons
Het hof oordeelt ook dat de zoons zelf geen natuurlijke verbintenis jegens de vrouw hebben. Dat in de vaststellingsovereenkomst staat dat zij een dringende morele verplichting ervaren, is niet beslissend. De vraag moet objectief worden beoordeeld aan de hand van maatschappelijke opvattingen. Daarbij is van belang dat de vader niet heeft verlangd dat zijn zoons namens hem een verplichting zouden nakomen. Ook blijkt niet van een bijzondere band tussen de vrouw en de zoons. De vrouw verklaart zelf dat zij, gelet op haar leeftijd, niet als stiefmoeder kon worden gezien. De schenkingen van ieder € 250.000 zijn daarom niet vrijgesteld. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en handhaaft de aanslagen schenkbelasting.
Wet: art. 1, zevende lid en art. 33, aanhef en onder 12° Successiewet 1956
Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 29-04-2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1128, 24/17 en 24/18 | NDFR





Geef een reactie