Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat een man toch recht heeft op het 2%-tarief overdrachtsbelasting voor een woning die hij nooit als hoofdverblijf gebruikt. De combinatie van financiële druk en mentale problemen vormt een onvoorziene omstandigheid na de verkrijging.
Een man koopt op 8 december 2022 een woning voor € 911.000 en voldoet € 18.220 overdrachtsbelasting naar het 2%-tarief. Hij verklaart dat hij de woning na de verkrijging anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken. Dat gebeurt uiteindelijk niet. De man woont ook niet in een eerder gekochte woning. Die eerdere woning verhuurt hij vanaf december 2022 en vervolgens van 1 mei 2023 tot 30 april 2024. De woning waarvoor deze zaak speelt, verkoopt hij op 4 augustus 2023 voor € 1.100.000. De inspecteur corrigeert het 2%-tarief en legt een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting over de verkrijging in 2022 op. In geschil is of de man ondanks het niet-bewonen van de woning toch recht heeft op het verlaagde tarief.
Onvoorziene omstandigheden na aankoop
De rechtbank stelt vast dat de man de woning feitelijk niet als hoofdverblijf heeft gebruikt. Het 2%-tarief kan dan toch gelden als na de verkrijging onvoorziene omstandigheden optreden waardoor redelijkerwijs niet van de koper kan worden verwacht dat hij de woning als hoofdverblijf gaat gebruiken. De man maakt aannemelijk dat hij na de verkrijging eerst wilde verduurzamen en daarna wilde verhuizen. Vervolgens lukt het hem niet om twee andere woningen te verkopen. Daardoor komt hij financieel onder druk te staan. Tegelijk krijgt hij door privéomstandigheden mentale problemen, waardoor hij niet of veel minder kan werken in zijn onderneming. Zijn voormalige echtgenote biedt uiteindelijk de woning aan mogelijke kopers aan om hem uit de problemen te helpen.
Laag tarief blijft van toepassing
De rechtbank gelooft de verklaring van de man, mede omdat die steun vindt in de overgelegde stukken. De financiële problemen, de mentale problematiek en de samenloop van privéomstandigheden zijn samen voldoende zwaarwegend. Daardoor kan volgens de rechtbank redelijkerwijs niet van de man worden verwacht dat hij vasthoudt aan zijn eerdere voornemen om in de woning te gaan wonen. De man valt daarom onder de regeling voor onvoorziene omstandigheden na verkrijging. Hij wordt geacht de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te hebben gebruikt. Het 2%-tarief voor de overdrachtsbelasting is van toepassing.
Wet: art. 14 en art. 15a WBR
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 03-06-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4876, BRE 25/1385 | NDFR





Geef een reactie