Hof Den Haag oordeelt dat de man geen vertrouwen kan ontlenen aan het feit dat de inspecteur zijn aangiften over 2019 en 2021 zonder correctie heeft gevolgd. Dat de aanslag over 2021 door een administratieve fout conform de aangifte is opgelegd, maakt dat niet anders.
Een man is in 2017 gescheiden en blijft wonen in de voormalige echtelijke woning. In 2020 is hij voor 50% eigenaar van die woning. Zijn ex-partner, die er sinds 2018 niet meer woont, bezit de andere 50%. Pas op 12 december 2022 wordt de man voor 100% eigenaar. In zijn aangifte ib/pvv 2020 trekt hij de rente over twee eigenwoningschulden af, samen € 7.378. De inspecteur vraagt om een onderbouwing van de rente op een van de leningen en om informatie over de eigendom van de woning. Als die informatie uitblijft, wijkt de inspecteur van de aangifte af en corrigeert hij een deel van de afgetrokken eigenwoningrente. In geschil is of de inspecteur het vertrouwensbeginsel schendt en of de man daardoor recht heeft op een hogere aftrek van eigenwoningrente.
Geen weloverwogen standpuntbepaling
Het hof stelt voorop dat gerechtvaardigd vertrouwen afhangt van de vraag of de omstandigheden bij de man de indruk hebben kunnen wekken dat een door de inspecteur jarenlang gevolgde gedragslijn op een weloverwogen standpuntbepaling berust. Die indruk is hier niet gewekt. De aangifte over 2019 is niet uitgeworpen voor handmatige behandeling en heeft de inspecteur niet gecontroleerd. Voor 2021 heeft de inspecteur juist twee keer een voornemen tot afwijking gestuurd vanwege de eigenwoningrente, waarna de man verzocht deze procedure af te wachten. Dat de aanslag over 2021 vervolgens door een administratieve fout tóch conform de aangifte is opgelegd, is weliswaar onzorgvuldig, maar verandert daar niets aan. Gelet op de expliciete en niet-ingetrokken voornemens kon de man niet aannemen dat de inspecteur een weloverwogen tegengesteld standpunt had ingenomen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.
Alleen renteaftrek over eigen 50%
De man stelt verder dat hij in 2020 de volledige, ook economische, eigendom van de woning bezat. Het hof onderschrijft het oordeel van Rechtbank Den Haag dat hij dat niet aannemelijk maakt. Doorslaggevend is dat partijen bij de uiteindelijke verdeling een woningwaarde van € 273.000 hanteren, terwijl in hun overzicht uit 2019 nog € 201.176 staat. Omdat de waardeverandering van de woning dus niet alleen de man aangaat, is het 50%-deel van zijn ex-partner voor hem geen eigen woning. Alleen de rente over zijn eigen deel van 50% is daarom aftrekbaar. In hoger beroep voert de man geen feiten of omstandigheden aan die tot een ander oordeel leiden. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Wet: Artikel 3.110 – Wet inkomstenbelasting 2001 | NDFR, Artikel 3.111 – Wet inkomstenbelasting 2001 | NDFR, en Artikel 3.119a – Wet inkomstenbelasting 2001 | NDFR
Bron: Gerechtshof Den Haag 9 juni 2026 (gepubliceerd 16 juli 2026), ECLI:NL:GHDHA:2026:2286, BK-25/654
Masterclass Fiscaliteiten in de Eigenwoningregeling
De afgelopen jaren is de fiscale wet- en regelgeving in de eigenwoningregeling op verschillende punten gewijzigd. Sommige regelingen zijn verre van begrijpelijk en lastig uitvoerbaar. Met name als partners samen een woning kopen en een hypotheekverleden hebben. Ook speelt het nieuwe huwelijksvermogensrecht een grote rol in de samenstelling van de nieuwe hypotheekconstructie en de gevolgen hiervan als partners uit elkaar gaan.





Geef een reactie