Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat een bv onvoldoende aannemelijk maakt dat zij recht heeft op de volledige aftrek van voorbelasting. De inspecteur heeft de niet-onderbouwde voorbelasting daarom terecht nageheven.
Een bv verricht belaste prestaties en krijgt na een boekenonderzoek naheffingsaanslagen omzetbelasting over 2018 en 2019. In bezwaar legt zij facturen over ter onderbouwing van de afgetrokken voorbelasting, waarna de inspecteur een deel van de aftrek alsnog accepteert. Voor het resterende deel ontbreken facturen of is volgens de inspecteur onduidelijk of de kosten zakelijk zijn of privé-uitgaven van de dga betreffen. Bij enkele facturen betwist hij bovendien dat de bv daadwerkelijk de afnemer van de diensten is. De bv stelt dat zij recht heeft op de volledige aftrek.
Bv levert onvoldoende bewijs
De rechtbank stelt voorop dat de bv aannemelijk moet maken dat zij recht heeft op aftrek van voorbelasting. De inspecteur heeft voldoende twijfel gezaaid over de vraag of de prestaties daadwerkelijk aan de bv zijn verricht en of de kosten zakelijk zijn. Van de bv mag daarom nader bewijs worden verlangd. Zij maakt echter niet concreet welke bedragen en facturen betrekking hebben op aan haar verrichte prestaties. Ook voor bedragen waarvoor facturen ontbreken, levert zij geen ander bewijs. De inspecteur heeft de aftrek daarom terecht geweigerd.
Verzuimboetes terecht opgelegd
Ook de verzuimboetes van 10% zijn volgens de rechtbank terecht. De bv maakt niet aannemelijk dat sprake is van afwezigheid van alle schuld of een pleitbaar standpunt. Wel wordt de boete over 2019 wegens overschrijding van de redelijke termijn verminderd van € 2.225 tot € 2.002. De naheffingsaanslagen blijven in stand.
Wet: art. 15 lid 1 Wet OB 1968
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 03-09-2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:8414, BRE 25/2118 en 25/2119 | NDFR





Geef een reactie